Om te komen tot referentievoedingen voor de verschillende leeftijdsgroepen voor de eetvoorkeur met vlees en vis, zijn er 2 stappen doorlopen: optimalisatie en het vertalen van deze oplossingsrichtingen naar de adviezen Schijf van Vijf. Die adviezen zijn de referentievoedingen voor alle leeftijdsgroepen, zwangeren en personen die borstvoeding geven.
Resultaten optimalisatie
Voor de eetvoorkeur met vlees en vis zijn optimalisaties uitgevoerd voor alle leeftijdsgroepen, inclusief zwanger en borstvoeding gevend. Zie voor een overzicht van de resultaten tabel 1 in de Excel bij eetvoorkeur met vlees en vis.
Tijdens het optimalisatieproces zijn beperkende randvoorwaarden versoepeld om tot een optimalisatieresultaat te kunnen komen. Deze aanpassingen zijn doorgevoerd voor de leeftijdsgroepen 1-3 jaar, 4-9 jaar, 10-12 jaar, 13-17 jaar (zowel jongens als meiden) en bij volwassen vrouwen van 70 jaar en ouder. De meeste beperkende randvoorwaarden kwamen voor bij de 1-3 jarige kinderen. Bij vrouwen van 70 jaar en ouder was enkel broeikasgas een beperkende randvoorwaarde.
In de rapportage van het RIVM (rapportage verwacht zomer 2026) is meer informatie te vinden over alle details. Zoals vermeld op de pagina Vertaling en toetsingsmodule heeft het Voedingscentrum de resultaten van de praktische vertaling in de toetsingsmodule, altijd getoetst tegen de oorspronkelijke randvoorwaarden, niet tegen de versoepelde randvoorwaarden.
Hoewel het optimalisatiemodel ernaar streeft een oplossing te vinden die zo dicht mogelijk bij de huidige voedselconsumptie ligt, wijken de optimalisatieresultaten vanwege de geldende randvoorwaarden behoorlijk af van de huidige consumptie. We weten bijvoorbeeld dat ongeveer 2/3 deel van onze energie uit voedingsmiddelen komt die niet in de Schijf van Vijf staan [1]. Dit is door de gestelde randvoorwaarden teruggebracht tot maximaal 15 energieprocent.
Resultaten toetsingsmodule
Nadat de optimalisaties uitgevoerd zijn, zijn de resultaten praktisch vertaald met de toetsingsmodule. De optimalisatieresultaten zijn de basis geweest om tot het voedingspatroon voor volwassenen te komen en daaruit zijn de referentievoedingen voor kinderen, zwangere en personen die borstvoeding geven afgeleid. Hieronder bespreken we per productgroep onze overwegingen. Zie voor een overzicht van de hoeveelheden waarmee we in de toetsingsmodule hebben gerekend tabel 2 in de Excel bij eetvoorkeur met vlees en vis.
Algemene uitgangspunten die we aangehouden hebben zijn:
- Bij volwassenen: waar mogelijk niet al te grote verschillen tussen mannen en vrouwen, zodat er binnen een huishouden geen compleet andere menusamenstellingen ontstaan.
- Bij zwangerschap en borstvoeding: zorgen voor een logische aansluiting op de adviezen voor vrouwen 18-50 jaar.
- Bij kinderen: een logische opbouw richting volwassenheid, waarbij we vanuit haalbaarheidsoogpunt de totale hoeveelheid vast voedsel niet te hoog wilde laten worden. Een belangrijke basis is onze gekozen vertaalslag van de Richtlijnen goede voeding voor kinderen.
Communicatieslag resultaten toetsingsmodule
In tabel 3 in de Excel bij eetvoorkeur met vlees en vis is de praktische vertaalslag te vinden van de resultaten van de toetsingsmodule naar de adviezen Schijf van Vijf zoals gecommuniceerd.
Aandachtspunten voor de eetvoorkeur met vlees en vis
Er is berekend in welke mate de opgestelde referentievoedingen voorzien in voedingsstoffen (tabel 4 en tabel 5 in de Excel bij eetvoorkeur met vlees en vis), bijdragen aan broeikasgasuitstoot, verzuring van de bodem, vermesting van zoet en zout water, landgebruik en blauw waterverbruik (tabel 6 in de Excel) en aan de inname van cafeïne, lood, acrylamide, arseen, cadmium, ochratoxine A (OTA) en PFAS (tabel 7 in de Excel). Uit onze berekeningen komen een aantal aandachtspunten naar voren die we meenemen in onze advisering over gezond, duurzaam en veilig eten.
Aandachtspunten gezondheid
De referentievoedingen van de eetvoorkeur met vlees en vis voldoen aan alle aanbevelingen uit de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad [3, 9]. De berekende referentievoedingen leveren tussen de 94-102% van de energie in een verhouding 14-18% eiwit, 36-40% vet en 40-46% koolhydraten. Het percentage plantaardig eiwit varieert van 56-67%.
Vanuit het advies Gezonde eiwittransitie van de Gezondheidsraad is gebleken dat eiwitkwaliteit geen belangrijk aandachtspunt is wanneer de verhouding tussen dierlijk en plantaardig eiwit 40:60 is. Verdere verschuivingen zijn niet onderzocht [10]. Omdat de hoeveelheid eiwit ruim boven de norm zit in de referentievoedingen, verwachten wij dat deze inname compenseert voor een mogelijk lagere eiwitkwaliteit samenhangend met een hoger aandeel plantaardig eiwit. In de loop van 2026 zal er in samenwerking met Wageningen Universiteit verder gekeken worden naar de eiwitkwaliteit van de referentievoedingen. Deze bevinden zullen we hier aan toevoegen.
Uit tabel 4 en tabel 5 van de Excel blijkt dat de referentievoedingen voor een beperkt aantal nutriënten niet voorzien in 100% van de gestelde voedingsnorm. Er is gerekend met de aanbevolen hoeveelheid of de adequate inname. De aanbevolen hoeveelheid is de inname die voorziet in de behoefte van bijna alle personen (97,5%) in een bepaalde bevolkingsgroep. Een adequate inname is de inname waarbij wordt aangenomen dat die voorziet in de behoefte van bijna alle personen in een bepaalde bevolkingsgroep. Voor veel mensen is de aanbevolen hoeveelheid of de adequate inname meer dan wat zij werkelijk nodig hebben. Een lagere inname op individueel niveau betekent dus niet per se dat iemand een tekort ontwikkelt. De aanbevolen hoeveelheid of adequate inname is een streefwaarde, om zeker te zijn dat bijna iedereen voldoende van een voedingsstof binnen krijgt [11].
Wanneer er niet wordt voorzien in 100% van de gestelde voedingsnorm, gaat het veelal om kleine verschillen met de norm. Wanneer dit verschil dusdanig klein is (<5% met de norm), zien wij dit niet als aandachtspunt voor de advisering (zie de paars gemarkeerde cellen in tabel 4 en tabel 5 van de Excel).
Maar er zijn een aantal nutriënten die wel aandacht verdienen in de advisering (zie de blauw gemarkeerde cellen in tabel 5 van de Excel). Deze zijn hieronder te vinden. Voor afwijkingen van meer dan 5% van de norm geldt in alle gevallen dat:
- De referentievoedingen voorzien in een niveau dat op of boven de huidige consumptie ligt. Voor de vergelijking met de huidige consumptie wordt gebruik gemaakt van de P50: de inname van de helft van een specifieke doelgroep.
- De referentievoedingen voorzien in, wanneer van toepassing, meer dan de gemiddelde behoefte.
Aandachtspunten duurzaamheid
In tabel 6 in de Excel bij eetvoorkeur met vlees en vis is een overzicht te vinden van de bijdrage van de dagelijks aanbevolen hoeveelheden voedingsmiddelen aan broeikasgasuitstoot, verzuring van de bodem, vermesting van zoet en zout water, landgebruik en blauw waterverbruik. Hier is te zien dat de referentievoedingen voor vrouwen van 51-69 jaar (randvoorwaarde 2,62 kilogram CO2-equivalent versus een uitkomst van 2,82 kilogram CO2-equivalent) en van 70 jaar en ouder (randvoorwaarde 2,5 kilogram CO2-equivalent versus een uitkomst van 2,69 kilogram CO2-equivalent) boven de randvoorwaarde voor broeikasgasuitstoot uitkomen.
Deze blijft wel onder de gemiddelde broeikasgasuitstoot in de huidige voeding. De totale afname van broeikasgasuitstoot over de hele populatie is 26% ten opzichte van de huidige uitstoot via voeding, en voldoet daarmee aan de gestelde randvoorwaarden. Deze afname varieert tussen de 8% voor 13-17 jarige meiden en 35% voor 1-3 jarige kinderen. Voor volwassen mannen is afname in broeikasgasuitstoot ten opzichte van de huidige uitstoot via voeding ongeveer 30% voor vrouwen ligt dit tussen de 16-28%.
Met onze adviezen om gezond te eten voor mens en planeet, neemt de klimaatimpact flink af.
Aandachtspunten voedselveiligheid
Via eten en drinken krijgen we niet alleen stoffen binnen die goed zijn voor onze gezondheid, maar ook stoffen die we liever niet willen binnenkrijgen omdat ze schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Dit is niet altijd helemaal te voorkomen, omdat deze stoffen nou eenmaal door bijvoorbeeld vervuiling in het milieu terecht zijn gekomen.
Het is bekend dat mensen in Nederland met hun huidige voedingspatroon van sommige van deze stoffen, ook wel contaminanten genoemd, meer binnenkrijgen dan wenselijk is. Bijvoorbeeld van PFAS en dioxines [27, 28]. Vooral kinderen kunnen relatief meer contaminanten binnenkrijgen, doordat zij per kilogram lichaamsgewicht meer eten [29]. Bij het doorrekenen van onze nieuwe Schijf van Vijf-adviezen hebben we erop ingezet om de contaminanten zo laag mogelijk te houden, maar zien we dat sommige stoffen hoger uitkomen dan de gestelde grenswaarden.
Ons doel is een voedingspatroon vast te stellen waarbij gezond, duurzaam én veilig zoveel mogelijk in balans is. Het optimalisatiemodel heeft ondersteund bij het vinden van de best passende oplossing.
Uit de resultaten blijkt dat lood en OTA geen knelpunten leverden in de referentievoeding. Als je eet met de Schijf van Vijf, krijg je dus niet meer lood of OTA binnen dan de gestelde grenswaarden. De overige knelpunten met contaminanten zijn niet op te lossen met keuzes binnen ons Schijf van Vijf eetpatroon. Vervuiling in het milieu moet laag genoeg zijn, wil ons eten veilig zijn. Wanneer wij zien dat we niet onder bepaalde grenswaarden kúnnen uitkomen in een evenwichtig eetpatroon, dan kan dit gezien worden als een signaal naar de overheid en voedselketen dat milieumaatregelen en afstemming via regelgeving nodig zijn en blijven.
Voor de meeste contaminanten geldt dat de totale blootstelling over het hele leven relevant is (zie deze pagina over de randvoorwaarden voedselveiligheid onderdeel ‘levenslange blootstelling’ en [30] voor de methode). Als we kijken naar de levenslange blootstelling, blijf je met een voedingspatroon volgens de Schijf van Vijf (of ‘referentievoeding’) onder de gestelde veiligheidsgrenzen voor de contaminanten arseen en cadmium. Voor acrylamide en PFAS hebben we dit niet berekend, voor acrylamide niet omdat we de grenswaarde voor acrylamide hebben gezet op niet meer dan de huidige inname (P50). Voor PFAS niet omdat bij PFAS de grenswaarde niet levenslang is maar tot 34 jaar. Dus berekening van de levenslange inname is voor deze contaminanten niet relevant.
Hieronder wordt beschreven voor welke contaminanten de vooraf bepaalde grenzen (=grenswaarden) worden overschreden voor de eetvoorkeur ‘met vlees en met vis’, en of er specifieke aandachtspunten zijn in de advisering. Voor de keuze voor de grenswaarden die we hebben gebruikt, verwijzen verwijzen we naar de pagina Hoe houden we rekening met voedselveiligheid. In tabel 7 in de Excel is met blauwe kleur aangegeven welke contaminanten bij welke doelgroepen aandacht behoeven. Voor de overige contaminanten, zoals lood en ochratoxine A, en voor de stof cafeïne zijn geen aandachtspunten gevonden.
Voor verdere verdieping in de werkwijze in geval van benodigde versoepelingen van randvoorwaarden verwijzen we naar de rapportage van het RIVM (rapportage verwacht zomer 2026).