Menu
Zoek
Apps en tools
!

Schijf van Vijf krijgt doorontwikkeling

Tot 9 april verwerken we nieuwe wetenschappelijke inzichten over gezond, duurzaam en veilig eten. Tot die tijd blijft de Schijf van Vijf gewoon bruikbaar. Lees meer

Uitgangspunten en keuzes bij criteria voor Schijf van Vijf-productgroepen

In de Schijf van Vijf staan productgroepen die het risico op chronische ziekten verminderen [1, 2] en/of die in Nederland een belangrijke bijdrage leveren aan het voorzien in essentiële voedingsstoffen. [3] Individuele producten in deze groepen staan niet in de Schijf van Vijf als ze te veel verzadigd vet, zout of suiker bevatten of te weinig vezel. Om te bepalen wanneer dat geldt, zijn criteria opgesteld. Het doel van deze criteria is dat producten worden ingedeeld in de Schijf van Vijf.

Basis voor productkeuze

Het is in ieder geval de bedoeling dat de producten die gezond zijn bevonden in de Richtlijnen goede voeding 2015 en Richtlijnen goede voeding: eiwitbronnen en voedingspatronen 2025 in de Schijf van Vijf komen. De gezondheidseffecten van voedingsmiddelen die zijn beschreven in de Richtlijnen goede voeding, zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek. Het gaat hier dan om bijvoorbeeld positieve gezondheidseffecten van groente, fruit en peulvruchten. Verder bewerkte producten zoals fruitrolletjes van gedroogd fruitpuree of peulvruchtenpasta waren geen onderdeel van de evaluatie. Bij productgroepen waar dit relevant is, zullen we daarom ook ingaan op mate van bewerking en aangeven tot welke bewerkingsgraad producten volgens ons kunnen bijdragen aan de inname van de specifieke productgroep.

Ook producten die met hun gehalte aan voedingsstoffen bijdragen aan het halen van de voedingsnormen passen in de Schijf van Vijf. Het doel van de criteria is niet gericht op productverbetering van producten die niet in de Schijf van Vijf staan. Productverbetering juichen we uiteraard toe, maar hiervoor zijn andere instrumenten zoals de Nationale Aanpak Productverbetering. Ook formuleren we op productniveau geen criteria op duurzaamheid en veiligheid. Duurzaamheids- en veiligheidsaspecten worden vastgesteld op basis van het hele voedingspatroon. Lees meer over hoe we duurzaamheid en voedselveiligheid meenemen. Wel worden per productgroep eventueel aanvullende adviezen gegeven op het gebied van duurzaamheid en veiligheid.

Strikte indeling

De indeling in ‘wel in de Schijf van Vijf’ en ‘niet in de Schijf van Vijf’ resulteert in een zwart-wit oordeel over een product. We weten natuurlijk dat één product nooit gezond of ongezond kan zijn. Het gaat om het hele voedingspatroon.

Toch willen we producten wel indelen binnen of buiten de Schijf van Vijf. Dit helpt mensen bij het kiezen van wat ze eten en drinken. Het geeft houvast, om niet te veel zout, verzadigd vet of suiker binnen te krijgen. En om voldoende vezels te eten.

Welke grens we ook stellen, er is altijd wel een product dat nét niet voldoet aan de criteria. Dat is een gegeven. Het vaststellen van het precieze criterium is vaak een combinatie van beschikbare voedingswaarden, wettelijke normen, de beschikbaarheid voor de consument en discussie tussen experts. We maken zo onderbouwde keuzes voor onze criteria.

Gebruik van criteria

Criteria worden onder andere gebruikt om consumenten feedback te geven over een product via apps en tools zoals de ‘Kies Ik Gezond?’-app, de Staat dit in de Schijf-tool of de app Mijn Eetmeter. Verder gebruiken we de criteria voor het opstellen van recepten en het (product)aanbod in eetomgevingen.

Een belangrijk aandachtspunt bij het gebruik van criteria is dat een gezond voedingspatroon niet wordt bepaald door het oordeel van één specifiek product. Een product dat volgens de criteria te veel zout bevat, en daarmee niet in de Schijf van Vijf staat, kan prima passen in een gezond voedingspatroon van iemand met een lage zoutinname.

En als iemand alleen maar Schijf van Vijf-producten eet en drinkt, heeft diegene niet per se een gezond voedingspatroon. Het kan bijvoorbeeld te eenzijdig zijn als niet voldoende uit de verschillende vakken van de Schijf van Vijf wordt gegeten en gedronken, of te veel van dezelfde producten. Een gezond en gevarieerd voedingspatroon bestaat bij voorkeur wel vooral uit producten die in de Schijf van Vijf staan, maar daarnaast is ook ruimte voor producten die niet in de Schijf van Vijf staan.

In onze communicatie geven we vaak meer generiek aan of een product voldoet aan de criteria van de Schijf van Vijf. Hierbij kan het voorkomen dat een individueel product op een andere indeling uitkomt. Bijvoorbeeld: mozzarella wordt in het algemeen ingedeeld in de Schijf van Vijf op basis van de gemiddelde samenstelling volgens NEVO. Maar niet alle soorten mozzarella voldoen aan de criteria. Voor een meer generieke vermelding moet zo’n product voor de consument wel voldoende beschikbaar zijn. Dat is een inschatting op basis van de Levensmiddelendatabank. Als de beschikbaarheid toe- of afneemt, kan dat een reden zijn om de generieke vermelding van zo’n product te veranderen.

Gegevensbronnen en evaluatie van criteria

Criteria zijn niet in beton gegoten. Er worden over de tijd steeds nieuwe producten ontwikkeld en er komen nieuwe of meer gegevens beschikbaar over de samenstelling van producten. Daarom evalueren we op regelmatige basis of onze criteria nog aanpassing nodig hebben. Ook nieuwe wetenschappelijke consensus, zoals nieuwe richtlijnen van de Gezondheidsraad kunnen aanleiding zijn voor het aanpassen van criteria.

Bij het vaststellen van productcriteria in 2016 hebben we gebruik gemaakt van gegevens uit het Nederlands Voedingsstoffenbestand 2013 (RIVM), aangevuld met andere bronnen, zoals informatie op verpakkingen, gegevens uit de herformuleringsmonitor (RIVM), portie-online (RIVM) of onderzoek van de NVWA. [4]

Sinds 2016 zijn nieuwere en een grotere hoeveelheid gegevens beschikbaar gekomen. NEVO-online [5] heeft diverse updates gehad en we hebben nu beschikking over de Levensmiddelendatabank. In 2022 is de Nationale Aanpak Productverbetering gestart waarbij fabrikanten worden aangemoedigd de samenstelling van het productaanbod te verbeteren door het stellen van grenswaarden voor specifieke voedingsstoffen. Ook zijn sinds 2016 veel nieuwe (innovatieve) producten op de markt gekomen zoals peulvruchtenpasta, hybride zuivelproducten en visvervangers die we niet direct in een productgroep konden indelen.

De afgelopen jaren hebben we geëvalueerd of onze productcriteria aanpassing nodig hebben op basis van deze ontwikkelingen. Ook zijn experts geraadpleegd. Voor de meeste productgroepen was de conclusie dat de criteria nog steeds toereikend waren en geen aanpassing nodig was. Voor een aantal productgroepen zijn de criteria bijgesteld. In 2024 ging het om ontbijtgranen, vis, zuivelalternatieven en thee. In 2026 om brood, peulvruchten, zuivel en zuivelalternatieven, en kant-en-klare vegetarische producten. [4, 6]

Het beschikbaar komen van nieuwe inzichten en/of gegevens kan in de toekomst opnieuw aanleiding geven tot het aanpassen van criteria.

Algemene uitgangspunten voor criteria

Algemene uitgangspunten bij het opstellen van criteria zijn:

  • Criteria stellen we op per productgroep. De consument kiest en denkt in productgroepen. Wanneer maar 1 set generieke criteria voor alle beschikbare producten zouden worden opgesteld, worden mogelijk hele productgroepen ingedeeld als niet in de Schijf van Vijf.
  • Criteria worden opgesteld voor maximale hoeveelheden verzadigd vet, transvet of toegevoegd vet per product; zout/natrium; totaal suiker of toegevoegd suiker. En voor een minimale hoeveelheid aan voedingsvezel. Deze voedingsstoffen worden internationaal breed gehanteerd in verschillende beoordelingssystemen. [7-9] Verderop lichten we per voedingsstof toe waarom we hiervoor hebben gekozen en hoe we de criteria afleiden en toepassen.
  • We willen met de criteria bereiken dat de consument niet te veel verzadigd vet, transvet, zout en suiker, en voldoende vezel binnenkrijgt.
  • Numerieke criteria drukken we uit per 100 gram product. Daarmee zijn producten binnen een productgroep onderling goed te vergelijken. Bovendien ziet de consument op het etiket de samenstelling per 100 gram.
  • Criteria worden toegepast op producten zoals gekocht door de consument.
  • In bepaalde gevallen zijn voor peulvruchten en graanproducten criteria gesteld op het % peulvrucht en volkorengraan dat aanwezig moet zijn in het product. Dit om te borgen dat het product inderdaad bijdraagt aan de inname van peulvruchten en volkorengranen. Zo is bijvoorbeeld het criterium dat ontbijtgranen voor minimaal 50% uit volkorengranen bestaan.
  • Samengestelde producten delen we in volgens de criteria van de productgroep waaraan ze worden toegekend.
  • Maaltijden, belegde broodjes, salades en overige gerechten zijn een combinatie van twee of meer producten uit verschillende productgroepen die als ontbijt, lunch, hoofdmaaltijd of tussendoor worden gegeten. Hiervoor hebben we aparte adviezen opgesteld.

Per productgroep hebben we bij het opstellen van de criteria als dat relevant was, steeds onderstaande aspecten bekeken:

  • De Richtlijnen goede voeding 2015 en 2025.
  • De bewerkingsgraad. Dit is de mate waarin door de producent bewerkingen of toevoegingen zijn gedaan.
  • Productgroepspecifieke aspecten en de samenstelling met betrekking tot verzadigd vet, zout, suiker en voedingsvezel.
  • Eventuele wettelijke normen.
  • De keuzemogelijkheden binnen een productgroep voor de consument.
  • Aandachtspunten bij de advisering.

De overwegingen lichten we op de pagina Criteria per productgroep per productgroep verder toe.

Verzadigde vetzuren, transvetzuren, suiker, zout, vezel

Het advies van de Gezondheidsraad is om de inname van verzadigde vetzuren en transvetzuren zo laag mogelijk te houden. [10] Daarnaast adviseert de Gezondheidsraad boter, harde margarine en bak- en braadvetten te vervangen door zachte margarines, vloeibaar bak- en braadvet en plantaardige oliën. [1]

Verzadigde vetzuren

Voor verzadigd vet worden daarom numerieke criteria opgesteld voor producten die van nature veel verzadigd vet kunnen bevatten en hun alternatieven. Het gaat hier om vlees, kant-en-klare vegetarische producten, zuivel en zuivelalternatieven, en oliën en vetten.

Voor de overige productgroepen (groente, fruit, brood, graanproducten en aardappelen, peulvruchten, noten en ei) is het de bedoeling dat er geen producten met veel verzadigd vet worden toegevoegd. Er is geen numeriek criterium voor verzadigd vet opgesteld omdat de hoeveelheid verzadigd vet die van nature aanwezig is varieert. Sommige producten hebben van nature een hoger verzadigd vetgehalte.

Verder is het mogelijk een (vetrijk) product dat zelf in de Schijf van Vijf staat toe te voegen (zie samengestelde producten). Het criterium voor verzadigd vet is daarmee: Geen vet toegevoegd, behalve eventueel een ander Schijf van Vijf-product.

Transvetzuren

In Nederland is op dit moment de inname van transvet geen probleem. [3] Het is wettelijk vastgesteld dat producten niet meer dan 2 gram transvet per 100 gram mogen bevatten, met uitzondering van de van nature aanwezige transvetzuren in vetten van dierlijke oorsprong. [11] Transvetten zitten van nature in melk en vlees van koeien, schapen en geiten en kunnen ontstaan bij het industrieel gedeeltelijk harden van vetten.

Voor oliën en vetten hebben we een numeriek criterium voor transvetzuren opgesteld op basis van generieke gegevens uit NEVO 2013. Op basis van dit ‘generieke’ transvetcriterium en de overige geldende criteria, is vastgesteld welke oliën en vetten in de Schijf van Vijf staan en welke niet. De evaluatie gaf geen aanleiding tot aanpassing van het criterium.

Het beoordelen van individuele producten op het transvetzuurgehalte is niet mogelijk omdat transvet niet op het etiket hoeft te staan. [12] We stellen daarom geen criteria op voor transvetzuren voor de overige productgroepen. Door ‘geen vet toegevoegd, behalve eventueel een ander Schijf van Vijf-product’ te hanteren wordt de toevoeging van transvet beperkt. Wel is het belangrijk om de inname van transvetvetzuren te blijven monitoren. Dit is een taak van het RIVM op basis van NEVO en de Voedselconsumptiepeilingen.

sluiten

De richtlijn van de Gezondheidsraad is de inname van keukenzout tot maximaal 6 gram per dag te beperken. De huidige inname van zout in Nederland ligt hier ver boven. [3] Ons uitgangspunt voor producten in de Schijf van Vijf, is dat geen zout is toegevoegd aan een voedingsmiddel. Wanneer dit technologisch niet mogelijk is of een te beperkte keuzemogelijkheid voor de consument oplevert binnen een productgroep, hebben we een criterium vastgesteld.

Dit geldt voor brood en specifieke graanproducten, peulvruchten, vis en schaal- en schelpdieren, kant-en-klare vegetarische producten, zuivelalternatieven, kaas en kaasvervangers, en oliën en vetten. Hoewel het gehalte in producten wordt vastgesteld op basis van natrium, definiëren we het criterium op zout. Dit staat namelijk op het etiket. [12]

Onder toegevoegd zout verstaan we natriumchloride. Algemeen wordt aangenomen dat het bloeddrukverhogende effect van keukenzout komt door het natrium in het keukenzout. [13] Natrium wordt niet alleen in de vorm van keukenzout aan ons voedsel toegevoegd, maar ook in andere vormen, zoals:

  • Natriumbicarbonaat uit bakpoeder, dat toegepast wordt als rijsmiddel in deeg
  • Natriumlactaat, dat aan bepaalde vleeswaren wordt toegevoegd
  • Mononatriumglutamaat (ook bekend als MSG of ve-tsin), een smaakversterker die toegepast wordt in de Aziatische keuken en in vele hartige producten.

Vaak is het natriumgehalte in deze toevoegingen niet bekend, en wordt het in kleine hoeveelheden toegevoegd. Dit soort verbindingen beoordelen we daarom niet als toegevoegd zout. Een uitzondering daarop is bakpoeder. Omdat dit voor bijna de helft uit natrium bestaat beoordelen we dat wel als toegevoegd zout. [14]

Zoutvervangers zijn mengsels van natriumchloride met kaliumchloride en/of magnesiumchloride. We hebben op dit moment geen goede argumenten om toevoegen van kaliumchloride of magnesiumchloride als toegevoegd zout te boordelen. Kalium heeft positieve effecten op de gezondheid, hoewel bij te hoge inname wel risico’s zijn voor specifieke patiëntengroepen. [15, 16] Te veel magnesium via supplementen kan leiden tot darmklachten en diarree. [17] Het is echter niet aan het Voedingscentrum om op basis hiervan criteria te formuleren. Het reguleren van toevoegen van deze verbindingen aan producten is de verantwoordelijkheid van de overheid.
sluiten

Met suiker wordt bedoeld: mono- en disachariden. [18] De WHO [19] adviseert niet meer dan 10 energie% vrije suikers te gebruiken, waarbij geldt ‘hoe lager, hoe beter’. Vrije suikers zijn toegevoegde suikers en suikers die van nature aanwezig zijn in sappen, siropen, honing en vruchtenconcentraat. [18] Verder is in de toelichting in de Richtlijnen goede voeding 2015 [1] aangegeven dat vervanging van suikers door zetmeel leidt tot verlaging van het LDL-cholesterol. Dat zal over het algemeen niet gaan over vervanging binnen een product, bijvoorbeeld suiker in koek vervangen door zetmeel.

Het slaat vooral op vervanging in het totale voedingspatroon. Dus het vervangen van suikerhoudende producten door producten met minder suikers, bijvoorbeeld een koek door een boterham. Daarnaast verhoogt toegevoegd suiker de energiedichtheid van een product en verlaagt het de nutriëntdichtheid van een product. Op basis van bovenstaande is het criterium meestal ‘zonder toegevoegd suiker’.

Onder toegevoegd suiker wordt verstaan: alle mono- en dissachariden toegevoegd aan producten door producent, kok of consument. Hieronder vallen bij dit criterium ook alle suikers die van nature voorkomen in producten zoals honing, stropen en siropen, fruitsappen en fruitsapconcentraten. In aanvulling daarop rekent het Voedingscentrum groentesappen en groentesapconcentraten en groente- en fruitpoeder tot toegevoegd suiker. Groentepoeders die gerekend worden tot de productgroep ‘Zout, kruiden, specerijen en azijn’, zoals paprikapoeder en gemberpoeder, rekenen we niet tot toegevoegd suiker.

Daarnaast zijn er productgroepspecifieke criteria gesteld op basis van gehalte totaal suiker aanwezig in de producten (zuivel) of omdat voor sommige technologische toepassingen het toevoegen van suiker nodig is. Denk aan gistactivatie bij het bakken van brood. Onder totaal suiker wordt verstaan: het totaal aan mono- en disachariden.

sluiten

Het advies van de Gezondheidsraad is ‘Eet dagelijks ten minste 90 gram bruinbrood, volkorenbrood of andere volkorenproducten’ en ‘Vervang geraffineerde graanproducten door volkorenproducten’. [1] Een vezelcriterium is alleen opgesteld voor brood, granen en graanproducten. Het gaat hier om graanvezel die van nature in de granen aanwezig is. Voor alle andere productgroepen is een vezelcriterium niet zinvol, omdat:

  • Bepaalde producten geen vezel bevatten (vlees, zuivel). 
  • De vezels die in het product zitten er via bewerking niet uitgehaald worden (peulvruchten, aardappel).
  • De producten met bewerkingsgraad waarbij dat wel gebeurt niet in de Schijf van Vijf komen op basis van andere criteria (groente- en fruitsap).
sluiten

E-nummers

In de wet staat welke additieven, oftewel E-nummers, gebruikt mogen worden, aan welke producten ze mogen worden toegevoegd, hoeveel en onder welke voorwaarden. [20] In het algemeen geldt dat als aan producten additieven zoals conserveermiddelen, zoetstoffen of emulgatoren toegevoegd zijn, dit geen invloed heeft op de indeling van het product als binnen of buiten de Schijf van Vijf.

Er gelden hierbij 2 uitzonderingen, namelijk bij de productgroepen vlees en dranken. Het advies van de Gezondheidsraad is om zo min mogelijk bewerkt vlees te eten, [2] en bewerkt vlees staat dan ook niet in de Schijf van Vijf. Als fabrikanten additieven toevoegen aan vlees kan dat ervoor zorgen dat we vlees indelen als bewerkt vlees. [21]

In de productgroep dranken staat, naast koffie en thee zonder suiker, alleen water in de Schijf van Vijf. Frisdranken staan niet in de Schijf van Vijf. Fabrikanten mogen een drank ‘frisdrank’ of ‘limonade’ noemen als er naast water ook suiker of zoetstoffen in zitten. [22] Als fabrikanten aan water zoetstoffen hebben toegevoegd, bijvoorbeeld aspartaam (E 951), sucralose (E 955) of steviolglycosiden uit Stevia (E 960a), dan delen we de drank in bij de groep frisdranken.

Water waar fabrikanten geen suiker of zoetstoffen aan hebben toegevoegd, maar alleen aroma’s of koolzuur (prik, koolstofdioxide E 290), delen we wel in bij de productgroep water.

Substitutiecriteria

Voor het opschuiven naar een meer plantaardig en minder dierlijk voedingspatroon geven wij de voorkeur aan het verschuiven naar een voedingspatroon met meer plantaardige producten zoals peulvruchten, noten en volkorengranen. De consumptie van deze producten heeft positieve gezondheidseffecten. [1, 2]

In het kader van de eiwittransitie en vermindering van de milieudruk adviseren we ook een deel van de zuivel te vervangen door een zuivelalternatief. En kan het af en toe gebruiken van kant-en-klare vegetarische producten consumenten helpen hun vleesconsumptie te verlagen. [2]

Kant-en-klare alternatieven voor dierlijke producten hebben eigen (substitutie) criteria nodig om ze te kunnen indelen binnen of buiten de Schijf van Vijf. Aan deze vervangers kunnen niet dezelfde gezondheidseffecten worden toegeschreven als de productgroep die ze vervangen. De gezondheidseffecten van de meeste kant-en-klare vegetarische producten en zuivelalternatieven zijn hiervoor onvoldoende onderzocht. [2]

Wel kunnen ze een bijdrage leveren aan de inname van een aantal voor een productgroep kenmerkende voedingstoffen, zoals eiwit en calcium bij zuivel. Voor kenmerkende voedingstoffen zijn substitutiecriteria geformuleerd voor zuivelalternatieven, kaasalternatieven en kant-en-klare vegetarische producten. Visvervangers staan vooralsnog niet in de Schijf van Vijf.

Kenmerkende voedingsstoffen

De kant-en-klare alternatieven voor dierlijke producten zijn substituten voor voedingsmiddelen in het vak met producten die rijk zijn aan eiwit. De substituten moeten daarom eiwit bevatten. Er is hierbij gekozen voor het niveau ‘bron van eiwit’: 12% van de energie is afkomstig van eiwit. [23] De argumenten om niet voor het niveau ‘rijk aan eiwit’ te kiezen zijn dat:

  • Plantaardige producten minder eiwit bevatten dan dierlijke producten. In praktijk heeft een niveau ‘rijk aan eiwit’ tot gevolg dat veel plantaardige alternatieven alleen aan het criterium kunnen voldoen als ze op basis van soja zijn gemaakt of wanneer extra eiwit in de vorm van isolaat of concentraat wordt toegevoegd. Dat vinden wij onwenselijk: er is weinig mogelijkheid tot variatie en het leidt tot sterk bewerkte producten met toegevoegd eiwit in plaats van bewerkte producten op basis van eiwit.
  • De eiwitinname in Nederland over het algemeen hoog is [3] en een (iets) lagere eiwitinname leidt voor de meeste mensen niet direct tot een te lage inname. Het is wel belangrijk dat dit voor specifieke groepen (ouderen, jonge kinderen, zwangeren, bij borstvoeding, veganisten) wordt gemonitord.
sluiten

Ons uitgangspunt is dat een substituut in ieder geval 2 kenmerkende micronutriënten moet bevatten. Welke nutriënten kenmerkend zijn, is bepaald op basis van een afwegingskader. Hierbij zijn de volgende elementen meegewogen:

  • Draagt de productgroep bij aan 20% of meer van de huidige inname van een specifieke nutriënt [3] en/of is de productgroep minimaal een ‘bron van’ een specifieke nutriënt? [24]
  • Staat de huidige inname van dat nutriënt [3] onder druk?
  • Kan voldoende inname van dat nutriënt worden gerealiseerd via ander product binnen een herkenbaar en gezond voedingspatroon? [3, 5]
  • Is er risico op een te hoge inname van dat nutriënt? [5, 25]
  • Zijn er redenen die verrijking in de weg staan, bijvoorbeeld wetgeving of beschikbaarheid op de markt?

Het uitgangspunt voor het niveau van micronutriënten in vervangers is de hoeveelheid van die nutriënten in de dierlijke producten die ze vervangen Micronutriënten mogen echter alleen op het etiket worden vermeld als een product ten minste een ‘bron van’ is. [24] Daarom is het alleen mogelijk om te beoordelen of een nutriënt voldoende aanwezig is, als de hoeveelheid in het product op zijn minst voldoet aan de criteria voor ‘bron van’. Dit is 15% van de dagelijkse referentie-innames zoals die zijn vastgelegd in de Europese wetgeving [24] per 100 gram product.

sluiten

Aandachtspunten bij substitutiecriteria

Biologische producten mogen volgens de wet niet worden verrijkt. [26] Biologische kant-en-klare vegetarische producten en zuivelalternatieven kunnen daardoor niet aan onze criteria voldoen en staan niet in de Schijf van Vijf. Om biologische producten te kunnen indelen in de Schijf van Vijf, is aanpassing van de wetgeving nodig.

Er is verder weinig bekend over de opname door het lichaam van toegevoegde microvoedingsstoffen aan alternatieven, en in het bijzonder in de context van een meer plantaardig voedingspatroon. De Gezondheidsraad beveelt aan onderzoek hiernaar te stimuleren. [27]

Ook is weinig kennis over milieudruk en duurzaamheidsaspecten van verrijking van producten en voedingssupplementen. Het winnen van nutriënten en synthetiseren van supplementen heeft effecten op mens en milieu, doordat ze geproduceerd, verpakt en vervoerd moeten worden bijvoorbeeld. Om dit mee te kunnen nemen in de afweging moet hier goed inzicht in worden verkregen. Deze kennis is nu nog (te) beperkt.

Uitzonderingen bij toepassen van criteria voor indeling van producten

Voor het indelen van producten naast of in de Schijf van Vijf worden binnen productgroepen voor bepaalde voedingsstoffen numerieke criteria gebruikt, zoals voor de hoeveelheid suiker, zout en vezels. Maar soms zorgt dit ervoor dat specifieke producten onbedoeld niet in de Schijf van Vijf zouden passen.

Een voorbeeld is roggebrood dat van nature een hoger suikergehalte heeft dan het criterium dat geldt voor brood in het algemeen. Het is geen goede oplossing het suikercriterium voor al het brood te verhogen tot het niveau van roggebrood, want daarmee zou veel brood met een grote hoeveelheid toegevoegd suiker in de Schijf van Vijf komen. Roggebrood krijgt daarom een uitzondering. In sommige gevallen en voor individuele producten kunnen we dus afwijken van de productgroepspecifieke criteria.

Naast numerieke criteria worden binnen productgroepen ook andere criteria gehanteerd, zoals ‘geen toegevoegd zout’ en ‘geen toegevoegd suiker’. Om de indeling van producten in of niet in de Schijf van Vijf binnen de Levensmiddelendatabank van het Voedingscentrum zoveel mogelijk te automatiseren, worden deze criteria wel omgezet in numerieke afkappunten. De niet-numerieke criteria blijven echter altijd leidend. Als producten onterecht wel of niet in de Schijf van Vijf worden ingedeeld door deze numerieke afkappunten in de Levensmiddelendatabank, dan passen we dit handmatig aan.

Bekijk onze toelichting op de indeling en de afkappunten die worden gebruikt binnen de Levensmiddelendatabank.

Bronnen voor uitgangspunten en keuzes

  1. Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding 2015 (publicatienr. 2015/24). 2015.
  2. Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding: eiwitbronnen en voedingspatronen 2025 (publicatienr. 2025/19). 2025.
  3. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, www.wateetnederland.nl Voedselconsumptiepeiling (VCP) 2019-2021. 2023.
  4. Brink L, et al. Richtlijnen Schijf van Vijf (2016). 2020 (6e druk).
  5. NEVO-online versie 2025/9.0. 2025, RIVM: Bilthoven.
  6. Voedingscentrum, Enkele Schijf van Vijf-criteria aangepast. 2024: www.voedingscentrum.nl.
  7. European Food Safety Authority. The setting of nutrient profiles for foods bearing nutrition and health claims pursuant to Article 4 of the Regulation (EC) No 1924/2006 - Scientific Opinion of the Panel on Dietetic Products, Nutrition and Allergies.https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/abs/10.2903/j.efsa.2008.644 EFSA Journal, 2008. 6 (2): p. 644.
  8. EFSA Panel on Nutrition Novel Foods Food Allergens. Scientific advice related to nutrient profiling for the development of harmonised mandatory front-of-pack nutrition labelling and the setting of nutrient profiles for restricting nutrition and health claims on foods.https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/abs/10.2903/j.efsa.2022.7259 EFSA Journal, 2022. 20 (4): p. e07259.
  9. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Voedselkeuzelogo’s onder de loep. 2019.
  10. Gezondheidsraad. Voedingsnormen: energie, eiwitten, vetten en verteerbare koolhydraten (publicatie nr 2001/19R). 2001 (gecorrigeerde editie: juni 2002).
  11. Europese Commissie Directoraat-Generaal Gezondheid en Voedselveiligheid, Verordening (EU) 2019/649 van de Commissie van 24 april 2019 tot wijziging van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft transvetzuren, met uitzondering van de in vetten van dierlijke oorsprong van nature aanwezige transvetzuren. 2019.
  12. Nederlandse Voedsel- en Warenauthoriteit (NVWA). Handboek - Etikettering van levensmiddelen, 2024.
  13. Gezondheidsraad. Natrium - Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015 (publicatienr. A15/15). 2015.
  14. Etiketinformatie online beschikbaar. Geraadpleegd december 2025.
  15. Hendriksen MAH, Van Rossum CTM, and Van der A DL. Kalium inname: risico van hyperkaliëmie? Overzicht van beschikbare gegevens in Nederland 2015.
  16. Verkaik-Kloosterman J, Beukers M, and De Jong M. Evaluatie mogelijk nadelige gezondheidseffecten bakkerszout 2.0 Hogere inname van kalium, magnesium en chloride. 2025.
  17. EFSA Panel on Dietetic Products Nutrition and Allergies. Scientific Opinion on Dietary Reference Values for magnesium. https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/abs/10.2903/j.efsa.2015.4186 EFSA Journal, 2015. 13 (7): p. 4186.
  18. Voedingscentrum, Koolhydraten. 2025: www.voedingscentrum.nl/koolhydraten.
  19. World Health Organisation (WHO). Guideline: Sugars intake for adults and children. 2015.
  20. Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Handboek - Additieven in levensmiddelen. Versie: 3.1, november 2024 (revisie van versie 2.0). 2024.
  21. Gezondheidsraad. Vlees en vleesproducten en chronische ziekten - Achtergronddocument bij: Richtlijnen goede voeding: eiwitbronnen en voedingspatronen 2025 (Nr. 2025/19A5). 2025.
  22. Warenwetbesluit Gereserveerde aanduidingen. 2024, https://wetten.overheid.nl
  23. Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen. 2006.
  24. Europees Parlement en de Raad, Verordening (EU) Nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. 2025.
  25. Scientific Committee on Food (SCF) and the EFSA Panel on Dietetic Products Nutrition and Allergies (NDA) Overview on Tolerable Upper Intake Levels (version 11). 2025.
  26. Europees Parlement / Raad van de Europese Unie, Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad. 2018.
  27. Gezondheidsraad. Gezonde eiwittransitie (publicatienr. 2023/19). 2023.