Omschrijving
Voedselovergevoeligheid is de overkoepelende term voor overgevoeligheidsreacties op voedsel zoals voedselallergie en niet-allergische voedselovergevoeligheid oftewel intolerantie.
Bij een voedselallergie maakt het afweersysteem specifieke antistoffen aan tegen eiwitten die in de voeding voorkomen. Eiwitten die allergische reacties kunnen opwekken, worden ook wel allergenen genoemd. Bekende allergenen zijn bepaalde eiwitten in koemelk of noten.
Bij niet-allergische voedselovergevoeligheid reageert het lichaam ook op bepaalde voedingsmiddelen. Het afweersysteem speelt hierbij echter geen of een onbelangrijke rol. De voedingsmiddelen die hierbij de klachten veroorzaken, worden “triggers” genoemd. Deze “triggers” kunnen van nature voorkomen in voedingsmiddelen, zoals lactose. Ze kunnen ook aan voedingsmiddelen worden toegevoegd, zoals het conserveermiddel sulfiet.
Het is niet eenvoudig om vast te stellen of er sprake is van voedselovergevoeligheid. De klachten kunnen heel verschillend zijn en van persoon tot persoon verschillen. Bovendien kunnen de klachten ook andere oorzaken hebben.
Een vraaggesprek tussen de arts en de patiënt, ook wel anamnese genoemd, is de eerste stap in het zoeken naar de oorzaak van de klachten. Hierbij ligt de nadruk op de medische anamnese en de familie-anamnese. Vervolgens neemt een diëtist de voedings-anamnese af.
Meestal vergoeden zorgverzekeraars geen kosten voor het stellen van de diagnose en de behandeling door een alternatieve arts of therapeut. Wanneer een dieetadvies wordt gegeven op basis van gegevens uit alternatieve onderzoeken, worden de meerkosten van dit dieet niet vergoed. Daarom is het goed om van tevoren te informeren naar de polisvoorwaarden van je ziektekostenverzekering.
Medische anamnese
Bij de medische anamnese vraagt de arts onder meer welke klachten bestaan en hoe vaak de klachten optreden. Van belang is of iemand zelf al verbanden heeft gelegd tussen de klachten en andere factoren, zoals het eten van bepaalde voedingsmiddelen. Ook andere medische gegevens komen aan de orde, bijvoorbeeld medicijngebruik en reeds bekende overgevoeligheden.
Familie anamnese
Het doel van de familie anamnese is te kijken of iemand een allergische aanleg heeft. Een allergische aanleg wordt ook wel “atopische constitutie” genoemd. Deze is erfelijk en komt meestal bij meerdere personen binnen een familie voor.
Een allergische aanleg kan zich op verschillende manieren uiten. Voorbeelden zijn:
- Astma
- Hooikoorts
- Atopisch eczeem
- Voedselallergie
Als allergische ziekten in de familie voorkomen, is dit een extra aanleiding om rekening te houden met een voedselallergie.
Voedingsanamese
Met behulp van de voedingsanamnese krijgt de diëtist informatie over het voedingspatroon en over een mogelijke relatie met de klachten. Tevens kan de diëtist beoordelen of de voeding volwaardig en evenwichtig is.
Klachten kunnen namelijk ook ontstaan door een onvolwaardige of eenzijdige voeding. Verder kan de diëtist beoordelen of de verdenking van voedselovergevoeligheid reëel is en welke voedingsmiddelen mogelijk klachten veroorzaken.
De gegevens uit alle gesprekken kunnen leiden tot een reëel vermoeden van voedselovergevoeligheid. Bovendien kunnen de gegevens wijzen in de richting van bepaalde voedingsmiddelen. Dit moet altijd worden uitgezocht door middel van aanvullende onderzoeken.
Aanvullend onderzoek
Om aan te tonen dat het lichaam ook daadwerkelijk allergisch reageert op de voedingsmiddelen die volgens de allergietest de klachten veroorzaken, is altijd een aanvullend “eliminatie- en provocatie-onderzoek” nodig.
Bij eliminatie worden de voedingsmiddelen die mogelijk de klachten veroorzaken uit de voeding weggelaten. De diëtist stelt voor deze fase van het onderzoek een “diagnostisch eliminatiedieet” op.
Hoe lang iemand dit dieet moet volgen, is afhankelijk van de klachten, meestal 2 tot 4 weken. Wanneer de klachten niet afnemen, moet worden nagegaan of er fouten zijn gemaakt in het dieet. Is dit niet het geval, dan is voedselallergie niet de oorzaak van de klachten of gaat het om een allergie voor andere voedingsmiddelen.
Als de klachten door de eliminatie afnemen, moeten de verdachte voedingsmiddelen weer worden gegeten om te kunnen beoordelen of de klachten hierdoor terugkeren. Het is van belang dat elk voedingsmiddel apart wordt getest.
De arts bepaalt welke provocatie-procedure moet worden gevolgd en waar de provocatie wordt uitgevoerd. Provoceren houdt in dat wordt gekeken of het voedingsmiddel nog steeds voor klachten zorgt.
Soms kiest de arts ervoor om te provoceren in zijn aanwezigheid. In andere gevallen wordt thuis uitgeprobeerd of het voedingsmiddel opnieuw tot klachten leidt.
De beste methode om vast te stellen of er sprake is van een allergie is de dubbelblinde placebogecontroleerde provocatie test. De reactie op het verdachte voedingsmiddel wordt vergeleken met de reactie op een voedingsmiddel waar de patiënt niet allergisch voor is.
Beide reacties worden aangeboden in de vorm van een capsule of opgelost in een ander voedingsmiddel. Zowel de arts als de patiënt weten niet wanneer het verdachte voedingsmiddel is gegeten.
Hierdoor is het mogelijk om de provocatie helemaal objectief te beoordelen. Een dergelijk provocatie-onderzoek moet altijd onder toezicht van een arts gebeuren. De arts stelt de reactie na een provocatie vast, waardoor de diagnose al of niet kan worden bevestigd.
De huisarts kan opdracht geven tot het doen van bloedonderzoek. Ook kan hij op grond van de anamnese besluiten iemand direct door te verwijzen naar een specialist voor verder onderzoek. Dit kan bijvoorbeeld een allergoloog zijn, of een kinderarts, huidarts of gastro-enteroloog.
Bloedtest
Bij voedselallergie maakt het lichaam antistoffen aan tegen bepaalde eiwitten uit voedingsmiddelen. Deze antistoffen zijn terug te vinden in het bloed. De RAST-bloedtest (Radio Allergo Sorbent Test) wordt het meest gebruikt. Bij deze test kunnen antistoffen worden aangetoond, uitgesplitst per voedingsmiddel.
De voedingsmiddelen die ook uit de anamnese als “verdacht” naar voren zijn gekomen, worden vaak apart getest. Een negatieve uitslag van de RAST betekent dat specifieke antistoffen niet in het bloed zijn aangetoond. Toch kan het dan zijn dat een voedingsmiddel klachten veroorzaakt en er dus sprake kan zijn van overgevoeligheid.
Een positieve uitslag van de RAST kan echter ook voorkomen zonder dat er sprake is van klachten. Bloedtesten geven dus geen uitsluitsel over de allergie en aanvullend onderzoek is altijd nog nodig.
Huidtest
Er zijn verschillende huidtests. De meest gebruikte zijn de priktest en de krastest. De zogenaamde “intracutane huidtest” waarbij een testmengsel wordt ingespoten, wordt veel minder vaak gebruikt. Deze test is veel minder specifiek dan de andere tests. Bovendien kan de intracutane huidtest niet worden gebruikt bij mensen die mogelijk een anafylactische shock kunnen krijgen. Dit is een levensbedreigende allergische reactie.
Het uitvoeren en beoordelen van huidtests bij onderzoek naar overgevoeligheid kan alleen gedaan worden door ervaren artsen of in speciale centra.
Voor de priktest wordt een kant-en-klaar extract van een voedingsmiddel of het voedingsmiddel zelf gebruikt. Het extract of het verse voedingsmiddel wordt op de huid aangebracht. Daarna wordt met een speciaal naaldje, door het extract of het voedingsmiddel heen, in de huid geprikt. Deze test wordt gedaan op de binnenkant van de onderarm of op de rug.
Krastest
Naast het testen op voedingsmiddelen worden meestal ook controletests uitgevoerd voor histamine en de oplosvloeistof. Deze controletests worden uitgevoerd om te toetsen of de huidtest wel het juiste effect zal opleveren en of iemand niet toevallig overgevoelig reageert op de oplosvloeistof van de testmaterialen. Als iemand een gevoelige huid heeft, wordt ook een controletest gedaan op de prik zelf.
Dit gebeurt door middel van een kras over de huid. Wanneer de huid reageert op de kras, zal ook op de plek van elk huidprikje een bobbeltje opkomen. Dit is dus geen overgevoelige reactie op het voedingsmiddel, maar op de prik in de huid.
De meeste extracten die gebruikt worden voor de huidtest, en natuurlijk ook de verse voedingsmiddelen, zijn niet gestandaardiseerd. Hierdoor kan de concentratie van verschillende merken extracten verschillen. Ook de versheid van het voedingsmiddel bepaalt de mate van de reactie. Het is voor de beoordeling of interpretatie van een huidtest dan ook van belang dat de huidtest wordt uitgevoerd door een ervaren arts.
Ook geldt hierbij dat het wel of niet optreden van een reactie op deze test geen uitsluitsel geeft over de allergie en dat aanvullend onderzoek altijd nodig is.
Vaak wordt beweerd dat alternatieve behandelingen ook voedselovergevoeligheid kunnen aantonen. Maar van geen van deze behandelingen is via onderzoek de betrouwbaarheid aangetoond. Het is daarom belangrijk dat ook de diagnose die is gesteld met behulp van alternatieve behandelingen wordt bevestigd door de voedingsmiddelen die klachten veroorzaken weg te laten. Dit heet eliminatie. Na een tijd wordt gekeken of het voedingsmiddel nog steeds voor klachten zorgt. Dit heet provocatie.
Als iemand gedurende maximaal 6 weken een eliminatiedieet volgt en de klachten zijn niet verminderd, dan is het onnodig het dieet langer voort te zetten. In dat geval is het aan te raden te zoeken naar andere oorzaken van de klachten.
Alternatieve onderzoeks- en behandelingsmethoden zijn bijvoorbeeld bioresonantie volgens Mora, Touch for Health, de VEGA-test, haaranalyse en de sublinguale druppeltest.
Daarnaast zijn er een aantal semi-wetenschappelijke methoden, die ten dele zijn ontwikkeld op basis van wetenschappelijke gegevens, maar die niet betrouwbaar zijn voor het vaststellen van voedselovergevoeligheid. Voorbeelden hiervan zijn de zogenaamde IgG4-bepalingen en leucocytentoxiciteittest.
Kruisreacties
Sommige mensen met hooikoorts krijgen ook klachten door voedselallergie. Kruisreacties tussen de pollen en bepaalde voedingsmiddelen kunnen daarvan de oorzaak zijn. Bij kruisreacties tussen pollen en voedselallergenen richten de antistoffen die het lichaam aanmaakt tegen de pollen zich ook tegen bepaalde eiwitten in voedingsmiddelen.
Overigens krijgt lang niet iedereen met hooikoorts ook last van voedselallergie. Een dieet is alleen zinvol als dat uit onderzoek naar de klachten nodig blijkt te zijn.
Naast kruisreacties tussen pollen en bepaalde voedingsmiddelen zijn er soms ook kruisreacties met voedingsmiddelen bij andere inhalatie-allergieën. Voorbeelden daarvan zijn kruisreacties bij een allergie voor honden en katten, waarbij sprake is een inhalatie-allergie voor de huidschilfers van deze huisdieren. Ook bij latex-allergie waarbij men gevoelig is voor producten waarin het sap van de rubberboom is verwerkt zoals latex-handschoenen en ballonnen, kunnen kruisreacties voorkomen.
In het algemeen lijkt het erop dat voedingsmiddelen die tot dezelfde familie behoren onderling kruisreacties kunnen veroorzaken. Doordat de voedingsmiddelen aan elkaar verwant zijn, hebben de allergenen grote overeenkomsten met elkaar.
Met uitzondering van de schaal- en schelpdieren ontbreekt meestal de wetenschappelijke onderbouwing om deze veronderstelling te bevestigen. Bij schaaldieren zoals rivierkreeft, langoestine (scampi), garnalen en krab en schelpdieren zoals mosselen en Sint Jacobsschelpen zijn wel onderlinge kruisreacties aangetoond.
Kruisreacties kunnen ook ontstaan door voedingsmiddelen die biologisch aan elkaar verwant zijn. Bij een allergie voor voedingsmiddelen is vaak een bepaald soort afweerstoffen betrokken. Dit zijn de zogenaamde IgE-antilichamen. Deze IgE-antilichamen reageren in principe alleen op een bepaald allergeen, bijvoorbeeld op garnaal-eiwit bij iemand met een allergie voor garnalen.
Soms richten deze antilichamen zich echter tegen eiwitten van andere voedingsmiddelen die overeenkomsten in de eiwitstructuur hebben. In het voorbeeld van de garnalen zijn dat bijvoorbeeld krab of kreeft. Het gaat hierbij om allergenen die tot dezelfde familie behoren. Het is niet zo dat kruisreacties automatisch bij de hele familie voedingsmiddelen ontstaan.
Reacties kunnen beperkt blijven tot 2 leden van de betreffende familie voedingsmiddelen, maar het komt ook voor dat meer leden van de familie kruisreacties veroorzaken.
Naast bovenstaande kruisreacties tussen biologisch verwante voedingsmiddelen komen ook kruisreacties voor tussen pollen (“inhalatie-allergenen”) en plantaardige voedingsmiddelen.
Bij mensen met hooikoorts (pollinose) reageren de slijmvliezen van neus, keel en ogen allergisch op het contact met pollen van grassen, bomen of bloemen. Soms breiden de hooikoortsklachten zich uit met bijvoorbeeld maag- of darmklachten, zwellingen van lippen of galbulten.
Deze klachten ontstaan door een voedselallergie. De voedselallergie kan veroorzaakt worden door een kruisreactie tussen pollen en een plantaardig voedingsmiddel. Het IgE-antilichaam tegen pollen kan zich op een specifiek deel van het pollen-allergeen richten; een deel dat ook in bepaalde voedingsmiddelen voorkomt. In dat geval herkent het IgE-antilichaam de betreffende voedingsmiddelen soms ook als allergeen. Het gevolg is een voedselallergie.
Het IgE-antilichaam tegen de pollen kan zich overigens ook op een deel van het allergeen richten dat niet in het voedingsmiddel voorkomt. In dat geval ontstaan geen klachten na het eten van dit betreffende voedingsmiddel. Hierdoor zullen niet alle mensen met een pollenallergie klachten krijgen na het eten van bepaalde voedingsmiddelen.
Sommige mensen met hooikoorts hebben alleen gedurende het pollenseizoen klachten na het eten van bepaalde voedingsmiddelen. Anderen hebben ook buiten dit seizoen klachten.
Wetenschappelijk onderzoek heeft inmiddels veel gegevens opgeleverd over de kruisreacties die kunnen optreden. In het volgende overzicht staan de meest bekende kruisreacties tussen pollen en plantaardig voedsel. Niet alle genoemde kruisreacties komen even vaak voor. Sommige kruisreacties zijn echt uitzonderlijk.
| Bij allergie voor: |
Mogelijke kruisreacties op: |
| Graspollen. bloeiseizoen: van april t/m half oktober afhankelijk van het soort gras |
Aardappel, tarwe, tomaat, pinda, boekweit |
| Bijvoetpollen (Artemisia Vulgaris), bloeiseizoen: augustus |
Tuinkruiden en specerijen uit de familie van de Umbelliferae, met name selderij, anijs, koriander, wortel |
| Berkenpollen. Bloeiseizoen: van april tot en met mei |
Fruitsoorten uit de familie van de Rosaceae, met name verse appel, peer, kers en abrikoos, noten, met name hazelnoot, wortel, selderij, aardappel |
| Timothee graspollen. Bloeiseizoen: van mei t/m september |
Aardappel, appel, wortel, selderij |
Tot de familie van de Umbelliferae behoren: anijs, kervel,
dille, karwij,
koriander, pastinaak, wortel,
peterselie, selderij, venkel.
Tot de familie van de Rosaceae behoren: aardbei, amandel, abrikoos, appel, braam, dauwbraam, framboos, kers, kweepeer, nectarine, peer, perzik, pruim, zwarte bessen.
Naast de kruisreacties tussen pollen en plantaardig voedsel kunnen ook tussen dierlijke producten en voedsel en tussen latex en voedingsmiddelen kruisreacties optreden. Latex is het sap van de rubberboom (Hevea Brasiliensis).
| Bij allergie voor: |
Mogelijke kruisreacties op: |
| Vogelpoep, vogelveren |
Kippenei-eiwit |
| Vogels |
Kippenvlees |
| Honden- en kattenhuidschilfers |
Varkensvlees |
| Huisstofmijten |
Wijngaardslakken en garnalen |
| Latex |
Banaan, avocado, kastanje, meloen, kiwi, boekweit |
Door het inademen van
eiwitten uit vogelpoep bij bijvoorbeeld het schoonmaken van de vogelkooi kan iemand overgevoelig raken voor kippenei-eiwit. Dit wordt het “Bird-Egg-Syndrome” oftewel Vogel-Ei-Syndroom genoemd.
Latex-allergie
Er bestaan 2 vormen van latex-allergie, namelijk contact- en inhalatie-allergie. Alleen bij inhalatie-allergie kunnen kruisreacties met voedingsmiddelen optreden, zoals jeuk en vochtophoping in mond en keel (orale allergiesyndroom), maag-darmklachten, urticaria (galbulten) of anafylactische shock.
Naast de voedingsmiddelen in de tabel worden vaak ook nog een reeks andere voedingsmiddelen genoemd die mogelijk een kruisreactie veroorzaken met latex. Het is echter niet aangetoond dat deze voedingsmiddelen daadwerkelijk tot klachten leiden bij mensen met latex-allergie.
Cijfers
Schattingen van hoe vaak voedselovergevoeligheid, voedselallergie
en voedselintolerantie voorkomen komen veelal uit op 1 tot 3
%.
Voor kinderen worden vaak hogere schattingen aangegeven, in de richting
van 4 tot 6 %.
Getallen voor voedselallergie zijn schaarser, maar suggereren
wat lagere waarden, in de orde van grootte van minder dan 1 tot 2
% voor volwassenen en 1 tot 3 % voor kinderen.
Oorzaak
Het is niet eenvoudig om vast te stellen of er sprake is van voedselovergevoeligheid. De klachten kunnen heel divers zijn en van persoon tot persoon verschillen. Het komt ook vaak voor dat er een andere oorzaak is voor het ontstaan van de klachten. Om zeker te weten of iemand overgevoelig reageert op voedsel, is onderzoek nodig.
De aard en ernst van de klachten bij voedselovergevoeligheid lopen erg uiteen. Er is voornamelijk sprake van huid-, luchtweg- en maagdarmklachten. Veel van deze klachten kunnen ook andere oorzaken hebben. Het is belangrijk dat de arts alle andere mogelijke oorzaken uitsluit voordat hij voedselovergevoeligheid als oorzaak van de klachten onderzoekt. Soms is het echter overduidelijk dat een specifiek voedingsmiddel de oorzaak van de klachten is. Meer onderzoek is in dat geval niet nodig.
Voedselovergevoeligheid wordt gezien als de oorzaak van bepaalde, op zichzelf staande klachten. Voorbeelden daarvan zijn gewrichtsklachten, chronische vermoeidheid, middenoorontsteking, migraine en het prikkelbare darmsyndroom. De meningen zijn erover verdeeld of voedselovergevoeligheid de oorzaak van deze klachten kan zijn.
Sommige klachten kunnen wel ontstaan als gevolg van andere klachten die het gevolg zijn van voedselovergevoeligheid. Zo kunnen door de jeuk bij onbehandeld eczeem slaapproblemen ontstaan die op de lange termijn leiden tot flinke vermoeidheid. De vermoeidheid is dan niet ontstaan door voedselovergevoeligheid, maar door de slapeloze nachten die de jeuk heeft veroorzaakt.
Voorbeelden van klachten die bij voedselovergevoeligheid en niet-allergische voedselovergevoeligheid kunnen optreden zijn:
- Urticaria (galbulten)
Urticaria is een veel voorkomende huidziekte die gepaard gaat met bultjes, hevige jeuk en heel soms met pijn. Een bijzondere vorm van urticaria is angio-oedeem waarbij uitgebreide vochtophopingen kunnen ontstaan. Urticaria en angio-oedeem kunnen veel verschillende oorzaken hebben, waaronder voedselovergevoeligheid.
Urticaria wordt ook wel galbulten, netelroos, netelkoorts of porseleinkoorts genoemd. Het is een aandoening waarbij in korte tijd een paar tot zeer veel witte bultjes met een felrode rand ontstaan door vochtophoping in en vlak onder de huid. De grootte van de bultjes kan variëren van enkele millimeters tot enkele centimeters. Urticaria kan overal op het lichaam ontstaan en gaat gepaard met erge jeuk. Meestal verdwijnen de jeuk en de bultjes binnen enkele uren tot 24 uur nadat ze zijn ontstaan. Er kunnen dan nog wel nieuwe ontstaan. Urticaria kan 1 dag tot vele maanden aanhouden.
- Angio-oedeem
Angio-oedeem (Quincke’s oedeem) is een bijzondere vorm van urticaria. Angio-oedeem ontstaat wanneer zich, door lekkage van dieper in de huid gelegen bloedvaatjes, uitgebreide vochtophopingen ontwikkelen. De huid is bleek en jeukt vooral in het beginstadium. Meestal verdwijnt de vochtophoping na 1 of enkele dagen.
Urticaria kan onder andere het gevolg zijn van voedselovergevoeligheid. Voedingsmiddelen waarvan bekend is dat ze allergische reacties kunnen veroorzaken in de vorm van urticaria zijn melk, ei, kruiden en specerijen, soja, tarwe, vis, schaal- en schelpdieren, noten, zonnebloempitten, sesamzaad en fruit zoals aardbei en kiwi.
Urticaria kan onder andere ontstaan als gevolg van voedselovergevoeligheid. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen voedselallergie en niet-allergische voedselovergevoeligheid.
Voedingsmiddelen waarvan bekend is dat ze allergische reacties kunnen geven en urticaria kunnen veroorzaken, zijn melk, ei, kruiden en specerijen, soja, tarwe, vis, schaal- en schelpdieren, noten, zonnebloempitten, sesamzaad en fruit zoals aardbei en kiwi.
Als voedselovergevoeligheid een rol speelt dan hoeven voedingsmiddelen of voedselbestanddelen niet altijd de oorzaak te zijn van urticaria en/of angio-oedeem.
Ook andere bestanddelen in de voeding kunnen de oorzaak van de klachten zijn. Het verschilt per persoon welke voedingsmiddelen, voedselbestanddelen of andere factoren het kan gaan.
Naast voedingsmiddelen en voedselbestanddelen kunnen de volgende prikkels ook een rol spelen bij urticaria en angio-oedeem:
- fysische prikkels: lichamelijke inspanning, warmte/kou en uitoefenen van druk op de huid
- geneesmiddelen: aspirine (salicylaten) en röntgencontrastvloeistoffen
- insectensteken en -beten: van bijvoorbeeld muggen, wespen en vlooien
- contactallergenen: stoffen die bij contact lokaal of op andere plaatsen in het lichaam een allergische reactie kunnen veroorzaken zoals rubber, planten waaronder brandnetels, crèmes en voedingsmiddelen zoals kaneel, vanille en mosterd(zaad)
- inhalatie-allergenen: stoffen die na inhalatie (inademen) een allergische reactie veroorzaken zoals schimmelsporen en dierlijke huidschilfers. Er is dan vaak ook sprake van luchtwegklachten.
- infectieziekten; met name bepaalde virale aandoeningen
Geneesmiddelen en voedingsmiddelen veroorzaken naar verhouding veel vaker een eenmalige aanval van urticaria en angio-oedeem dan andere prikkels. De reactie ontstaat dan meestal tussen de 2 en 12 uur na de inname van het geneesmiddel of voedingsmiddel.
- Anafylactische shock
Een anafylactische shock is een levensbedreigende situatie door een allergische reactie in het lichaam. Het kan het gevolg zijn van een allergische reactie op bepaalde voedingsmiddelen zoals pinda of sesam, maar ook medicijnen of wespensteken kunnen een anafylactische shock veroorzaken. Als niet tijdig wordt ingegrepen kan een anafylactische shock dodelijk zijn.
De symptomen van een anafylactische shock kunnen binnen enkele minuten ontstaan en soms uren aanhouden. Wanneer de symptomen niet adequaat worden behandeld, kan na 6 tot 8 uur opnieuw een shock optreden. Hoe sneller de symptomen ontstaan, des te ernstiger is meestal de reactie.
Eén van de eerste signalen van een shock is een prikkelend gevoel, jeuk of metaalachtige smaak in de mond. Dit wordt vaak gevolgd door de volgende symptomen, die ook tegelijkertijd kunnen optreden:
- urticaria (galbulten)
- gevoel van warmte, transpireren
- braken
- krampen, diarree
- zwellingen in de mond en keel
- ademhalingsmoeilijkheden, benauwdheidsklachten
De belangrijkste stof die vrijkomt bij een allergische reactie is histamine. Deze stof zorgt ervoor dat de bloedvaten wijder worden. Bij een heftige reactie kan de bloeddruk hierdoor zo sterk dalen dat bewusteloosheid optreedt. Door reacties die vaak in de longen optreden, is gelijktijdig een astma-aanval mogelijk. Sommige artsen noemen dit type reactie een systematische reactie of allergische shock.
Bij een anafylactische shock is een adrenaline-injectie nodig om de reactie te stoppen. Patiënten die vaker een shock krijgen, hebben hiervoor adrenaline bij zich. In geval van een shock moet de injectie, al dan niet door een arts of ambulancepersoneel, met spoed worden toegediend. Het is aan te raden de patiënt plat op de rug te leggen, met de voeten omhoog en maak knellende kleding zoals een stropdas los.
Een anafylactische shock treedt meestal op als gevolg van een eerder ontwikkelde allergie. Het is onwaarschijnlijk dat een voedingsmiddel dat eerst zonder problemen kan worden gegeten, plotseling een anafylactische shock veroorzaakt. Meestal zijn eerdere allergische signalen zoals jeuk in de mond of huidklachten in dat geval niet opgevallen. Het is ook mogelijk dat een shock optreedt na gebruik van producten die weinig worden gegeten of gebruikt, zoals de specerij koriander.
In theorie kan ieder voedingsmiddel een shock veroorzaken. Pinda’s, noten, schaal- en schelpdieren, vis, koriander, knolselderij, sesam, boekweit, melk en eieren worden het meest genoemd als oorzaak. Van deze voedingsmiddelen is slechts een minieme hoeveelheid nodig om een reactie te geven.
Van enkele voedingsmiddelen, zoals vis en pinda, is soms het inademen van de geur al voldoende om een reactie uit te lokken. Naast voedingsmiddelen kunnen overigens ook insectensteken zoals wespen- en bijensteken, geneesmiddelen, met name antibiotica, en röntgencontrastmiddelen een anafylactische shock veroorzaken.
In sommige gevallen ontstaat een anafylactische reactie op een voedingsmiddel alleen in combinatie met lichamelijke inspanning zoals sporten. Onder normale omstandigheden geeft het betreffende voedingsmiddel dan geen reactie. Dit verschijnsel wordt een inspanningsafhankelijke anafylactische reactie genoemd. Hierbij zijn soms ook de weersomstandigheden, warm of vochtig weer, en het gebruik van een pijnstiller van invloed.
- Orale allergiesyndroom
Het orale allergiesyndroom is meestal een milde vorm van voedselallergie. Er ontstaan kruisreacties tussen inhalatie- en voedselallergenen. De verschijnselen treden alleen in het mond- en keelgebied op en beginnen binnen enkele minuten na het eten van bepaald fruit, bepaalde groenten, bepaalde noten of schaaldieren.
Bij een aantal voedingsmiddelen vindt een reactie alleen plaats indien deze ongekookt zijn, zoals bij fruit en rauwe groenten. Dat komt omdat de allergene eiwitten bij verhitting hun structuur kunnen verliezen. Ook bij inmaken of invriezen treedt dit effect op. Dit is echter niet altijd het geval. Zo heeft verhitten bij noten geen invloed. Meestal is de allergie beperkt tot één of enkele voedingsmiddelsoorten. De allergische reactie blijft gewoonlijk beperkt tot milde klachten zoals zwelling, jeuk en roodheid in en om de mond.
Symptomen bij kruisreacties tussen pollen en plantaardige voedingsmiddelen:
Naast hooikoorts beperken de symptomen bij een kruisreactie met één of enkele voedingsmiddelen zich meestal tot plaatselijke reacties aan lippen en achter in de keel. Voorbeelden zijn een vochtophoping in de lippen, een onaangenaam prikkelend gevoel in de mond, een “dichtzittende keel” of heesheid. Soms ontstaan zeer ernstige klachten, zoals zwelling in de keel door vochtophoping, urticaria (galbulten), maag- en darmklachten en anafylactische shock, een snel optredende levensbedreigende allergische reactie.
Ongeveer 20 tot 50% van de mensen met een pollenallergie voor de familie van de Betulacae, de berkenfamilie, krijgen klachten na het eten van bepaalde voedingsmiddelen. Tot de berkenfamilie behoren de vroeg in het voorjaar bloeiende els, berk en hazelaar. Voedingsmiddelen zoals verse appel kunnen klachten geven als jeuk in de mond, die doortrekt naar de oren, heesheid, zwelling van lippen, tong en huig. De symptomen worden meestal samengevat onder de term ‘orale allergie syndroom’ of ‘Para Berk syndroom’.
Soms gaat de overgevoeligheid voor pollen van het onkruid ‘Artemisia Vulgaris' (bijvoet) samen met een overgevoeligheid voor specerijen en keukenkruiden uit de Umbelliferae familie. Hiertoe behoren anijs, kervel, dille, karwij (= kummel), koriander (= ketoembar), pastinaak, wortel, peterselie, selderij en venkel. Bij overgevoeligheid hiervoor kunnen heftige klachten ontstaan zoals angio-oedeem. Bij angio-oedeem kunnen zwellingen van de oogleden, lippen en soms van de slijmvliezen van mond- en keelholte optreden. Dit syndroom staat in de wetenschappelijke literatuur beschreven als ‘Sellerie-Beifuss-Gewurz-‘ of ‘Mugwort-Celery-Spice’ syndroom (Selderij-bijvoet-specerijen syndroom).
- Atopisch eczeem
Atopisch eczeem is een ontsteking van de huid die meestal gepaard gaat met hevige jeuk. Veel mensen met dit eczeem hebben een allergie. Dit is met name bij kinderen het geval. Welke rol de allergie speelt bij het eczeem is niet altijd duidelijk. Alleen onderzoek kan uitwijzen of voedselallergie of niet-allergische voedselovergevoeligheid het eczeem beïnvloedt.
Andere klachten van atopisch eczeem kunnen zijn: roodheid, schilfering, pukkeltjes en vochtblaasjes, vochtafscheiding van de huid korstvorming en/of littekenvorming. Deze klachten komen meestal gecombineerd voor. Het eczeem beschadigt de huid waardoor de weerstand van de huid vermindert tegen schadelijke invloeden van buitenaf. De huid kan uitdrogen en raakt gemakkelijk ontstoken. Ook zweet- en talgklieren kunnen daardoor minder goed werken. De ernst van de klachten kan sterk wisselen en verschilt van persoon tot persoon.
Van de kinderen tussen de 6 maanden en 1,5 à 2 jaar met atopisch eczeem speelt bij ongeveer 25% voedselallergie een belangrijke rol. Het gaat hierbij met name om een allergie voor koemelk, kippenei, soja, noten en/of pinda. Ook voor andere voedingsmiddelen kan een allergie bestaan. Op deze leeftijd komt het vaak voor dat het eczeem verdwijnt als het kind de voedingsmiddelen waarop het allergisch reageert, niet meer eet.
Atopisch eczeem wordt ook wel aangeduid als of “atopische dermatitis” (huidontsteking). Atopie betekent dat sprake is van een familiaire en individuele aanleg om IgE antistoffen te produceren in reactie op allergenen uit de omgeving. Dit gaat gepaard met typisch allergische symptomen. Ook voedselallergie kan daarbij een rol spelen.
Als er sprake is van een allergie voor koemelk verdwijnt deze bij het merendeel van de kinderen na de leeftijd van 2 jaar. Bij een deel van deze kinderen ontstaan soms andere voedselallergieën. Het gaat hierbij met name om allergieën voor plantaardige producten zoals kiwi en appel. Met het ouder worden neemt de invloed van voedselallergie op het eczeem af.
Bij volwassenen met atopisch eczeem en een voedselallergie gaat het vooral om allergieën voor plantaardige voedingsmiddelen, zoals bepaalde fruit- en groentesoorten en noten. Het verschil met kinderen is dat de klachten meestal niet verminderen als iemand geen voedingsmiddelen meer eet, waarop hij of zij allergisch reageert. Blijkbaar speelt bij volwassenen voedselallergie als oorzaak van atopisch eczeem nauwelijks een rol.
Naast voedselallergie kan ook niet-allergische voedselovergevoeligheid een rol spelen. Met name bij volwassenen kan dit de ernst van het eczeem doen toenemen. Kenmerkend van niet-allergische voedselovergevoeligheid is dat er een reactie optreedt nadat iemand een kleine hoeveelheid van een bepaalde stof binnenkrijgt. Het gaat om een hoeveelheid die bij de meeste mensen geen klachten geeft. In tegenstelling tot een allergische reactie speelt bij niet-allergische voedselovergevoeligheid het afweersysteem geen of geen belangrijke rol.
Ook andere allergieën kunnen de klachten verergeren. Bij iemand die allergisch is voor de huidschilfers van huisdieren kan het eczeem opvlammen als er contact is met huisdieren. Bij een allergie voor huisstofmijt kan het daardoor nodig zijn dat de woning wordt aangepast.
Naast allergenen kan eczeem ook ontstaan of verergeren door andere factoren. Voorbeelden daarvan zijn:
- het dragen van wollen kleding, door irritatie van de huid ten gevolge van de ruwheid van het wollen materiaal
- het regelmatig in aanraking komen met prikkelende stoffen zoals zeep en chloorwater in een zwembad
- het contact met water oftewel uitdrogend effect
- stress
- seizoensinvloeden zoals vochtig weer, warmte en droogvriezend weer
- Astma
Astma is een ontsteking van de luchtwegen, waarbij de luchtwegen zich vernauwen. De vernauwing ontstaat door het samentrekken van de luchtwegspiertjes, het opzwellen van de luchtwegen en de productie van veel slijm. Dit bemoeilijkt vooral het uitademen.
De longen raken overvol met lucht, die onvoldoende “ververst” kunnen worden. Hierdoor ontstaan de astmatische klachten. De aard en de ernst van de klachten variëren vaak met de leeftijd. Kinderen en ouderen hebben vaker astmatische klachten dan jong volwassenen.
Mensen met astma hebben vooral klachten als benauwdheid, opgeven van slijm en hoesten. De luchtwegen van mensen met astma zijn extra gevoelig voor allerlei prikkels. Bij sommige astmapatiënten kunnen ook bepaalde voedingsmiddelen of voedselbestanddelen als prikkel fungeren. Hierdoor kan een astma-aanval ontstaan of een aanval verergeren.
Astma is meestal aangeboren waarbij vaak sprake is van een aanleg voor allergie. De aanleg om een allergie te ontwikkelen is vaak erfelijk. Zo’n erfelijke aanleg wordt ook wel “atopische constitutie” genoemd. Iemand met een atopische constitutie kan dus één of meer aandoeningen ontwikkelen zoals hooikoorts, atopisch eczeem of astma, waarvan een allergie de oorzaak is.
De luchtwegen van astmapatiënten zijn extra gevoelig voor allerlei prikkels die een astma-aanval kunnen uitlokken of verergeren. Voorbeelden van prikkels zijn baklucht, verflucht, uitlaatgassen en temperatuur- en weersveranderingen. Andere factoren die de luchtwegen gevoeliger maken voor een astma-aanval zijn hormonale schommelingen, bijvoorbeeld tijdens de menstruatiecyclus, of psychische factoren zoals stress.
Voorbeelden van niet-specifieke prikkels zijn luchtverontreinigende stoffen zoals tabaksrook, zwaveldioxide en roetdeeltjes, formaldehydegas uit lijm, spaanplaat of isoleermateriaal, drukinkt, de lucht van chloor en andere schoonmaakmiddelen en luchtjes, zoals bak- en braadluchtjes.
Van niet-specifieke prikkels kan iedereen last hebben, maar mensen met astma hebben er veel eerder en heviger last van dan anderen. Dit komt doordat de luchtwegen door astma gevoeliger zijn.
Op specifieke prikkels reageren alleen mensen die er overgevoelig voor zijn. Bijvoorbeeld bij mensen met een allergie of beroepsgebonden astma. Beroepsgebonden astma is een beroepsziekte die wordt veroorzaakt door inademing van stoffen die tijdens het werk of de hobby verwerkt worden of vrijkomen.
Een bekend voorbeeld is bakkersastma waarbij bakkers allergisch zijn voor een bepaalde stof die veel in bakkerijen wordt gebruikt. Bij astma gaat het vooral om huisstofmijt, stuifmeel, huidschilfers van huisdieren en/of schimmels. Deze stoffen worden “inhalatie-allergenen” genoemd. Overigens is meestal sprake van een allergie voor slechts één of een klein aantal allergenen.
Soms kunnen ook voedingsmiddelen of bestanddelen ervan een astma-aanval uitlokken of verergeren. In diverse recente onderzoeken worden de volgende voedingsmiddelen genoemd: melk, kippenei, noten, tarwe, pinda, sesam en perzik. Dit betekent niet dat iedereen met astma deze voedingsmiddelen moet laten staan.
Als voeding al een rol speelt, dan verschilt het van persoon tot persoon om welke voedingsmiddelen het gaat. Een ander voorbeeld zijn voedingsmiddelen met het conserveermiddel sulfiet.
Recente onderzoeken geven aan dat niet alleen door het eten van voedingsmiddelen klachten kunnen ontstaan, maar ook door inademing van kleine voedseldeeltjes. Deze kunnen als het ware “oplossen” in de lucht. Een reactie op voedingsmiddelen via inademing kan bijvoorbeeld voorkomen bij vis, pinda, tarwe, kippenei, aardappelen en peulvruchten.
- Maagdarmklachten zoals buikpijn diarree en braken
Er zijn geen maagdarmklachten die kenmerkend zijn voor voedselovergevoeligheid: de klachten kunnen per persoon verschillen. De arts kan door middel van verschillende methoden onderzoeken of voedselovergevoeligheid een rol speelt en welke voedingsmiddelen of -bestanddelen de oorzaak zijn. Voordat de diagnose voedselovergevoeligheid kan worden gesteld, moeten alle andere mogelijke oorzaken uitgesloten worden. Mogelijk worden de klachten veroorzaakt door een onevenwichtig samengestelde voeding.
Veel volwassenen hebben regelmatig last van darmkrampen. Als deze klachten na eten of drinken ontstaan, wordt vaak gedacht aan voedselovergevoeligheid. Dat is een mogelijkheid maar meestal spelen andere factoren een rol zoals een onregelmatig eetpatroon, te weinig voedingsvezels, gebruik van bepaalde medicijnen of psychische factoren.
Ook minstens 15% van alle zuigelingen heeft last van darmkrampen. Meestal is er geen aanwijsbare oorzaak en verdwijnen de darmkrampen spontaan rond de vierde levensmaand. Diarree wordt bij peuters nogal eens veroorzaakt door overmatig gebruik van vruchtensap en te weinig vezels of te weinig vet in de voeding.
Wanneer voedselovergevoeligheid maagdarmklachten veroorzaakt, doen zich doorgaans ook andere klachten voor, zoals problemen met de luchtwegen en huidklachten, bijvoorbeeld in de vorm van galbulten (urticaria). Voedselovergevoeligheid kan ook een onaangenaam prikkelend gevoel in de mond veroorzaken. Is er alleen sprake van diarree, dan speelt voedselovergevoeligheid zelden een rol.
Bij voedselovergevoeligheid voor lactose en voedselovergevoeligheid voor gluten ( coeliakie) komen darmklachten voor. Sommige ziekten veroorzaken maagdarmklachten. Bij de ziekte van crohn en colitis ulcerosa is sprake van chronische darmontstekingen. Ook het prikkelbare darm syndroom gaat gepaard met maagdarmklachten. Bij deze aandoeningen is geen relatie aangetoond met voedselovergevoeligheid.
Voedingsadvies
Als de arts vaststelt dat er sprake is van voedselovergevoeligheid, is een verwijzing naar een diëtist gewenst. De diëtist geeft aan hoe bepaalde voedingsmiddelen kunnen worden vermeden zonder dat er een tekort aan voedingsstoffen ontstaat.
Ook bij voedselovergevoeligheid kan er gezond worden gegeten. Als uit onderzoek blijkt dat er sprake is van voedselovergevoeligheid, zal een diëtist in overleg een dieetadvies opstellen. Deze adviezen zijn erop gericht zogenaamde allergenen of “triggers” te vermijden.
De merkartikelenlijsten van het Voedingscentrum zijn een handig hulpmiddel bij het selecteren van geschikte producten. Als essentiële voedingsmiddelen zoals melk of tarwe worden geschrapt, kan de volwaardigheid van de voeding in het gedrang komen. Bij het vermijden van bijvoorbeeld ei of ei-producten is dit niet het geval. Hierdoor is elk dieetadvies anders.
Lees bij gebruik van een merkartikelenlijst altijd de ingrediëntendeclaratie op verpakte voedingsmiddelen. Soms is de samenstelling van een vertrouwd product namelijk opeens gewijzigd. De stelregel hierbij is: bij twijfel niet gebruiken. Veronderstel niets.
Preventie van allergie richt zich op het voorkomen van een allergie of het uitstellen daarvan. Om te weten welke maatregelen daarvoor nodig zijn, is het eerst nodig te weten waardoor een allergie ontstaat. Het ontstaan van een allergie hangt af van verschillende factoren:
- erfelijke aanleg voor allergische aandoeningen als eczeem, astma, hooikoorts en voedselallergie
- contact met een allergeen
- gevoeligheid van bepaalde organen, zoals huid, luchtwegen, maagdarmkanaal
Erfelijke aanleg is een bepalende factor bij het vaststellen voor wie preventieve maatregelen zinvol kunnen zijn. Meestal worden 2 groepen onderscheiden:
- Kinderen met een verhoogd risico op allergische aandoeningen. Dit zijn kinderen waarvan tenminste 1 van de ouders of 1 van de oudere kinderen in een gezin een allergie hebben zoals hooikoorts, astma of voedselallergie.
- Kinderen met een niet of niet-duidelijk verhoogd risico op allergische aandoeningen. Kinderen zonder verhoogd risico hebben een kans van ongeveer 10% op het ontstaan van allergische klachten. Meestal zijn dit minder ernstige klachten.
Voor kinderen met een verhoogd risico op allergie heeft het uitsluitend moedermelk geven in de eerste 6 maanden enig beschermend effect. Er is geen reden voor de moeder om een dieet te gaan volgen. Als het niet lukt om borstvoeding te geven, is hypoallergene kunstvoeding, op basis van een partieel eiwithydrolysaat, een alternatief.
In hypoallergene kunstvoeding zijn de koemelkeiwitten tot kleinere stukjes teruggebracht waardoor de kans mogelijk kleiner wordt dat deze koemelkallergie veroorzaken. Ook lijkt niet roken tijdens de zwangerschap en na de geboorte niet roken in de omgeving van het kind de kans op allergie te verkleinen.
Er is weinig bewijs dat het introduceren van vaste voeding in de eerste 6 maanden de kans op het ontstaan van een allergie verhoogt. Langer uitstel van het geven van bijvoeding is met het oog op een goede ontwikkeling van de mondmotoriek (kauwen, spreken) niet wenselijk.
De bijvoeding kan, net zoals geldt voor elk kind, op de gebruikelijke manier vanaf de zesde maand worden gestart. Speciale aandacht voor de introductie van de bijvoeding is niet nodig. Wel is het zinvol om de eerste hapjes stapsgewijs te introduceren, dus voedingsmiddel voor voedingsmiddel.
Wanneer een kind allergisch is voor een voedingsmiddel zoals koemelk, kan het ook gaan reageren op andere voedingsmiddelen. De introductie van vaste voedingsmiddelen verloopt daardoor voorzichtiger dan bij kinderen zonder voedselallergie. Daarom is de begeleiding van een diëtist noodzakelijk.
Het is echter belangrijk om bijvoeding niet tot na de leeftijd van 6 maanden uit te stellen, omdat het later dan normaal introduceren van bijvoeding de kans op allergieën kan vergroten.
Vanaf deze leeftijd zijn er namelijk allerlei veranderingen in de ontwikkeling, vanaf de leeftijd van 6 maanden geeft moedermelk te weinig calorieën, de behoefte aan voedingsstoffen zoals eiwit, vitamines en mineralen verandert, de tandjes komen door en het kind moet leren kauwen.
Ook vanwege de ontwikkeling van de smaak is introductie van bijvoeding op de leeftijd van 6 maanden belangrijk. Het verkleint de kans op latere voedingsproblemen.
Advies en begeleiding door de diëtist bij de introductie van bijvoeding is niet alleen nodig om te voorkomen dat sterk allergene voedingsmiddelen te vroeg geïntroduceerd worden. Het is juist ook nodig om te voorkomen dat er te langzaam geïntroduceerd wordt of dat voedingsmiddelen onnodig achterwege gelaten worden.
Kleine kinderen kunnen moeilijk duidelijk maken waar ze last van hebben. Ook kunnen de klachten andere oorzaken hebben.
Het is belangrijk om de tijd te nemen en goed te observeren wat een nieuw voedingsmiddel doet. Het ene voedingsmiddel geeft meer risico op voedselallergie dan een ander. Het gaat hierbij om de volgende voedingsmiddelen: melk, ei, soja, vis, schaal- en schelpdieren, noten, pinda’s en zaden en pitten. Het advies luidt om deze niet te vroeg te introduceren.
Sterk allergene voedingsmiddelen kunnen als volgt geïntroduceerd worden:
1. vanaf 6 maanden: tarwe
2. vanaf 9 maanden: koemelk (tenzij daarvoor allergie bestaat), alle vissoorten, pitten, zaden en soja
3. vanaf 12 maanden: ei, schaal- en schelpdieren, noten en pinda’s
Sommige voedingsmiddelen die niet tot de sterk allergene voedingsmiddelen behoren, kunnen soortgelijke klachten geven als voedselallergie. Het gaat hierbij om aardbei, kiwi, tomaat, varkensvlees, citrusfruit, chocola en verschillende specerijen. Het is aan te raden deze voedingsmiddelen niet als eerste te introduceren maar eerst andere soorten fruit, groente, vlees en dergelijke te introduceren.
Alle andere voedingsmiddelen kunnen vanaf 6 maanden geïntroduceerd worden. De volgorde waarin dit gebeurt is niet belangrijk.
Meestal kunnen de nieuwe voedingsmiddelen in opklimmende hoeveelheden 3 dagen achter elkaar worden uitgeprobeerd: Op de eerste dag een kwart van een normale portie, op de tweede dag de helft en op de derde dag een normale portie. Mocht een reactie op het nieuwe voedingsmiddel komen dan is duidelijk om welk voedingsmiddel het gaat.
Voor alle voedingsmiddelen die niet tot de sterk allergenen behoren en de voedingsmiddelen die vaker klachten geven, zoals aardbei, tomaat en dergelijke kan de volgorde van de introductie van voedingsmiddelen zelf worden bepaald. Worteltjes geven bijvoorbeeld niet vaker een allergische reactie dan broccoli.
De volgorde is vooral afhankelijk van de eetgewoonten binnen het gezin, de verkrijgbaarheid van de verschillende producten, de samenstelling van de rest van de voeding en de voedingsstoffen die het kind nodig heeft. Meestal wordt begonnen, net als bij kinderen zonder voedselallergie, met groente- of fruithapjes. Daarna wordt de voeding steeds verder uitgebreid.
Nadat een aantal groente- en fruitsoorten zijn geïntroduceerd is het daarom beter bijvoorbeeld ook rundvlees toe te voegen en niet nog een groente- of fruitsoort. De diëtist zal daar rekening mee houden.
Hoe snel de introductie uiteindelijk verloopt hangt vooral af van de situatie van het kind. Bij weinig problemen met elk nieuw voedingsmiddel verloopt de introductie sneller dan wanneer er klachten zijn. Belangrijk is daarbij te bedenken dat eventuele problemen veroorzaakt kunnen worden door reacties op voedingsmiddelen. Maar ook ziekte, het krijgen van tandjes en/of spanning kunnen klachten veroorzaken.
Het is aan te raden de volgende adviezen op te volgen bij de introductie van bijvoeding bij kinderen met een allergie of een verhoogde kans daarop:
- Raadpleeg een diëtist
- Experimenteer nooit naar eigen inzicht
- Introduceer steeds één voedingsmiddel per keer en niet verschillende voedingsmiddelen tegelijkertijd.
- Kies voedingsmiddelen die maar uit 1 ingrediënt bestaan, bijvoorbeeld pure rijstebloem en niet rijstebloem met een smaakje. In dat laatste geval is er namelijk sprake van 2 nieuwe stoffen. Bij een eventuele reactie op een voedingsmiddel dat uit verschillende bestanddelen bestaat, is moeilijk na te gaan welk ingrediënt de oorzaak is.
- Introduceer een nieuw voedingsmiddel gedurende 3 opeenvolgende dagen.
- Probeer nieuwe groente- en fruitsoorten in de gebruikelijke vorm, rauw of gekookt. Voor vooral fruit geldt soms dat het gekookt beter worden verdragen dan rauw. Sommige ouders proberen daarom liever eerst gekookt fruit.
- Gebruik alleen verse producten of diepvriesproducten zonder toevoegingen als kruiden, specerijen, saus, room et cetera.
- Geef een nieuw voedingsmiddel in de loop van de ochtend. Introductie 's avonds kan ervoor zorgen dat een eventuele reactie onopgemerkt blijft of zorgt voor een onrustige nacht.
- Introduceer geen nieuwe voedingsmiddelen als het kind ziek is, er een tandje doorkomt of het net een prik heeft gehad.
Niet iedere afwijzing van een voedingsmiddel en niet iedere klacht duidt op een allergische reactie. Het kind moet ook wennen aan de nieuwe smaak en vorm van het eten. Dit kan ook de oorzaak zijn van bijvoorbeeld kokhalzen en niesbuien.
Van dun vloeibare drinkvoeding naar een dikkere, vaak ook wat korreliger voeding vanaf een lepel, is een hele stap. Door de verandering in de samenstelling van de voeding kan ook verandering in vastheid, geur en kleur van de ontlasting ontstaan. Dit hoeft dus niet met voedselallergie te maken te hebben. Overleg bij twijfel altijd met de diëtist.
Treedt er geen reactie op, ga dan met het volgende voedingsmiddel verder. Het uitgeprobeerde voedingsmiddel kan dan aan het menu worden toegevoegd. Geef van dit voedingsmiddel overigens niet meer dan het kind nodig heeft.
Bij een onduidelijke reactie, bijvoorbeeld tijdens een periode dat het kind zich niet prettig voelt omdat het tandjes krijgt, moet worden gestopt met de introductie. Het voedingsmiddel kan pas opnieuw worden gegeven als het kind weer de oude is.
Stop direct met de introductie van het betreffende voedingsmiddel als je kind een duidelijke allergische reactie geeft. In overleg met de diëtist kan het na enkele weken opnieuw worden geprobeerd om met zekerheid vast te stellen dat de klachten inderdaad door dit voedingsmiddel werden veroorzaakt. Begin pas weer met een nieuw voedingsmiddel, als de klachten zijn verdwenen.
Houd goed zicht op de introductie van de bijvoeding door een overzicht te maken van de geïntroduceerde voedingsmiddelen. Als een reactie heeft plaatsgevonden op een voedingsmiddel of bij twijfel hierover, is het aan te raden het volgende op te schrijven:
- Voedingsmiddel
- Datum
- Bereiding en hoeveelheid
- Tijdstip van de reactie, hoe lang na de Voedingscentrum
- Opmerkingen: medicatie, vaccinatie, verkoudheid etcetera
Het opnieuw uitproberen van voedingsmiddelen in overleg met een diëtist, verloopt op dezelfde manier als de introductie van nieuwe voedingsmiddelen. Voor de meeste voedingsmiddelen blijft een voedselallergie niet levenslang bestaan. Om onnodige beperkingen te voorkomen, is het belangrijk van tijd tot tijd te proberen of de voedselallergie nog steeds bestaat.
Bij zuigelingen is voedselallergie meestal een voorbijgaand probleem. Koemelkallergie is bij ruim van de helft van de kinderen op de leeftijd van 1 jaar voorbij. De overige kinderen zijn binnen maanden tot enkele jaren van het probleem af.
In overleg met arts en diëtist worden de betreffende voedingsmiddelen daarom rond de eerste verjaardag van het kind weer uitgeprobeerd. Geeft dit nog steeds klachten, dan moet de reïntroductie na ongeveer 6 maanden opnieuw plaatsvinden. Bij allergie voor ei, schaal- en schelpdieren, pinda of noten, is het gezien de vaak heftige reacties beter de reïntroductie uit te stellen tot na de tweede verjaardag.
Bij heftige klachten op voedingsmiddelen wordt het tijdstip van de reïntroductie in overleg met de behandelend arts bepaald. Als sprake is geweest van een shock of de kans op een shock aanwezig is, kan het nodig zijn de reïntroductie niet uit te voeren of uit te stellen tot het kind groter is.
In die gevallen vindt reïntroductie plaats in een klinische omgeving zoals een ziekenhuis of onder begeleiding van de huisarts zodat indien nodig noodhulp geboden kan worden.
Bij de start van bijvoeding gaat het in eerste instantie om aanvulling en niet zozeer om vervanging van moedermelk of kunstvoeding. Naarmate de hoeveelheid bijvoeding toeneemt, kan de moedermelk of kunstvoeding geleidelijk worden verminderd.
De diëtist of het consultatiebureau geeft aan welke hoeveelheden aangehouden moeten worden. Mocht de introductie van de bijvoeding als gevolg van reacties op de geïntroduceerde voedingsmiddelen vertragen, dan wordt geadviseerd de hoeveelheid moedermelk of kunstvoeding uiteraard ook langzamer te verminderen.
In principe is het ook bij kinderen met voedselallergie niet noodzakelijk om de voeding aan te vullen met extra vitamines en mineralen, buiten de gebruikelijke vitamine D en K bij borstvoeding. Verloopt de introductie van bijvoeding met veel vertraging, dan is belangrijk dat de diëtist regelmatig nagaat of het kind met de voeding wel alle voedingsstoffen binnenkrijgt die het nodig heeft.
Moedermelk kan tijdens de hele periode van introductie van vaste voeding worden gegeven. De hoeveelheid zal geleidelijk verminderen tot 1 voeding en desgewenst een slokje als tussendoortje. Om ervoor te zorgen dat het kind voldoende zetmeel krijgt, is het belangrijk op een gegeven moment de moedermelk gedeeltelijk te vervangen door pap.
Bij de eerste hapjes staat meer informatie over het introduceren van nieuwe voedingsmiddelen en wat je kind na de eerste 6 maanden nodig heeft.
Kruisreacties
Bij de behandeling is een dieet alleen nodig als kruisreacties met voedingsmiddelen bij een inhalatie-allergie door onderzoek zijn aangetoond. Een dieet is uiteraard ook nodig als kruisreacties optreden tussen voedingsmiddelen die aan elkaar verwant zijn. Een dieet is dus alleen zinvol als iemand daadwerkelijk klachten krijgt na het eten van bepaalde voedingsmiddelen. Op doorverwijzing van de behandelend arts is deskundig advies van een diëtist daarbij onmisbaar.
Als sprake is van kruisovergevoeligheid met voedselallergenen zal een dieet deel uitmaken van de therapie. Een dieet is alleen zinvol als iemand daadwerkelijk symptomen heeft en als uitgebreid onderzoek uitwijst dat sprake is van voedselallergie. De voedselallergenen die klachten veroorzaken moeten dan vermeden worden.
Soms kan ook een bepaalde “bewerking” van een plantaardig voedingsmiddel de allergene werking laten verdwijnen. Als bijvoorbeeld mensen met een berkenpollenallergie door kruisovergevoeligheid appel niet verdragen, betekent dit meestal alleen dat een verse appel niet verdragen wordt. Appelmoes, appel in appeltaart of op een andere manier bewerkte appels worden over het algemeen wel verdragen. Verhitting, maar ook het raspen en snijden van appels vermindert namelijk de allergene eigenschappen. Bij ernstige reacties blijft voorzichtigheid geboden.
Pollenallergie
Sommige mensen met een pollenallergie hebben alleen in het pollenseizoen klachten na het eten van bepaalde voedingsmiddelen. Bij kruisreacties tussen pollen en voedselallergenen kan de duur van het dieet uiteenlopen. Sommige mensen zullen het hele jaar door dieet moeten houden, anderen kunnen volstaan met een dieet tijdens het pollenseizoen.
Atopisch eczeem
Als duidelijk is dat bepaalde voedingsmiddelen het atopisch eczeem in stand houden of verergeren, maakt een dieet deel uit van de behandeling. Medicijnen om het eczeem en de jeuk tegen te gaan zijn noodzakelijk als de jeuk, ondanks alle genomen maatregelen, ondraaglijk blijft. Welke medicijnen het beste werkzaam zijn tegen de jeuk verschilt per persoon.
Vaak reageren patiënten of ouders van kinderen met atopisch eczeem terughoudend op de behandeling met medicijnen of zalven. Middelen tegen jeuk leiden echter niet tot ernstige bijwerkingen, ook niet bij jonge kinderen.
Anafylactische shock
Om anafylactische shock te voorkomen is het belangrijk de voedingsmiddelen of stoffen te vermijden waarvoor men allergisch is. Dit geldt zeker voor mensen bij wie de allergie zich uit door uitgebreide vochtophopingen in de huid (angio-oedeem), keel (glottis-oedeem) of door astmatische klachten. Ook bij een inspanningsafhankelijke anafylactische reactie luidt het advies om het voedingsmiddel dat reactie geeft geheel te vermijden.
Het is belangrijk de risico’s van een reactie zoveel mogelijk te beperken door de volgende voorzorgsmaatregelen:
- Neem altijd een hoeveelheid adrenaline of tenminste een anti-histaminicum mee. Adrenaline is in de vorm van ampullen met een injectiespuit verkrijgbaar op voorschrift van de arts. Een automatische injectiespuit, die lijkt op een pen en gevuld is met adrenaline, is een handige en snel toepasbare toedieningsvorm.
- Bewaar de adrenaline op verschillende plaatsen, dus thuis, op het werk, op school, de crèche of in huis van de oppas als het om een kind gaat.
- Let daarbij ook goed op de houdbaarheidstermijn van de adrenaline. Vervang de adrenaline zodra de houdbaarheidstermijn is verstreken of de adrenaline is verkleurd.
- Zorg ervoor dat familieleden en indien mogelijk de kinderen en andere direct betrokkenen kunnen omgaan met de injectiespuit.
- Een Alarmpenning als ketting of armband waarop de allergie is vermeld, helpt als bewustzijnsverlies optreedt tijdens een heftige reactie.
- Blijf goed geïnformeerd en bespreek de risico’s van de allergie met een deskundige arts en een diëtist.
De diëtist kan ervoor zorgen dat de voedingsmiddelen waarvoor een allergie bestaat, vermeden worden zonder dat je voedingsstoffen tekort komt. Ter ondersteuning van het dieet heeft het Voedingscentrum merkartikelenlijsten van producten die het voedingsmiddel of de stof waarvoor men allergisch is, niet bevatten, bijvoorbeeld een pindavrije merkartikelenlijst.
Uit onderzoeken blijkt dat een allergische, anafylactische reactie bij een allergie waarschijnlijk nooit zal verdwijnen. Omdat de gevolgen zeer ernstig kunnen zijn, is het af te raden te proberen of de allergie nog steeds aanwezig is. Dit kan alleen door de behandelde arts worden gedaan onder gecontroleerde omstandigheden.
Op school
Ook de school moet zich bewust zijn van het belang van het nauwkeurig volgen van het dieet. Het is aan te raden de leerkrachten uitleg te geven over de allergie en de voedingsmiddelen waarom het gaat.
- Geef aan welke voedingsmiddelen wel mogen worden gegeten. Een voorraadje snacks en alternatieven voor traktaties zijn handig, mits de voorraad en houdbaarheid regelmatig wordt gecontroleerd.
- Bespreek met de leerkracht(en) ook een “noodplan” dat in overleg met de behandelde arts is opgesteld.
- Zorg ervoor dat de informatie voor de school ook op papier staat. Maak de informatie opvallend, bijvoorbeeld op gekleurd papier of voorzien van een foto van het kind. Houd de informatie kort en noteer het telefoonnummer onderaan elke bladzijde, zodat de lezer kan bellen bij vragen. Vermeld ook het telefoonnummer van de huisarts.
- Maak een kort verslag van alle afspraken die met de school zijn gemaakt.
- Zorg ervoor dat er een injectiespuit met adrenaline op school aanwezig is en controleer regelmatig de houdbaarheidstermijn. Ondanks alle maatregelen, kan het nodig zijn dat op school adrenaline toegediend moet worden. Daarvoor kan het nodig zijn dat ook de leerkracht leert adrenaline toe te dienen.
- Organiseer, eventueel samen met andere ouders van allergische kinderen, een informatieavond op school voor leerkrachten en ouders. Schakel eventueel de schoolartsendienst in.
Uit eten
Om misverstanden te voorkomen, is het verstandig om ruim voor het geplande etentje met de kok te overleggen en het menu door te nemen. Restaurants van een keten hebben vaak een striktere kwaliteitscontrole dan kleinere restaurants, waardoor de samenstelling van gerechten minder snel verandert.
- Let niet alleen op de voedingsmiddelen zelf, maar ook op de bereidingswijze en het te gebruiken keukenmateriaal. Als kant- en klare gerechten, zoals sauzen worden gebruikt, is het goed te vragen naar de exacte samenstelling van het product. Gebruik eventueel ook de merkartikelenlijst.
- Schroom niet te vragen naar gedetailleerde informatie over voedingsmiddelen en gerechten. Hoe meer je vraagt, hoe duidelijker de noodzaak van de vragen is. Naast mondelinge informatie over het dieet, is ook schriftelijk informatie overzichtelijk. Hierin kan een samenvatting van de afspraken die met de kok zijn gemaakt, worden opgenomen.
- Bel vlak voor het etentje de kok om hem te herinneren aan het dieet.
- Neem bij een etentje altijd medicatie mee.
- Maak een lijstje van restaurants waarmee je goede ervaringen hebt. Bij een spontaan idee buitenhuis te gaan eten, kan de lijst van pas komen.
Op vakantie
Voedselovergevoeligheid hoeft de voorpret van een ontspannen vakantie niet in de weg te staan. Het vraagt alleen wel meer aandacht. Op vakantie is tenslotte alles anders dan thuis. Ook zijn lang niet alle vertrouwde producten van thuis ook te koop op de vakantiebestemming.
Het is soms moeilijk in te schatten of bepaalde voedingsmiddelen ook in het buitenland verkocht worden. Veel mensen nemen daarom het liefst de voor hen onmisbare voedingsmiddelen mee vanuit Nederland. Nu de Europese binnengrenzen verdwenen zijn, kunnen ongehinderd allerlei voedingsmiddelen van de ene lidstaat naar de andere worden meegenomen. Helaas zijn hier wel uitzonderingen op. Sommige landen binnen de EU stellen maxima aan het ongehinderd invoeren van voedingsmiddelen.
Op de site van de ANWB staat uitgebreide landeninformatie.
Het is mogelijk dat bepaalde producten niet in het vakantieland verkrijgbaar zijn. Dat is niet direct een ramp. Het lichaam heeft normaal gesproken voldoende reserves om een korte periode van onvolwaardige voeding op te vangen. Wel is het belangrijk om baby’s voldoende flesvoeding te geven. Van 0 tot 1 jaar is de flesvoeding of borstvoeding meestal nog de grootste leverancier van de voedingsstoffen die het kind nodig heeft.
Daarom is het verstandig op vakantie voldoende speciale flesvoeding mee te nemen.
Het is nuttig een vertaalde woordenlijst mee te nemen. Het Voedingscentrum heeft een lijst opgesteld met vertalingen van een aantal woorden in het Engels, Frans, Duits en Spaans. Soms kunnen plaatjes uit bijvoorbeeld tijdschriften van de voedingsmiddelen die vermeden moeten worden, helpen bij een lastig gesprek.
Bij langere reizen zijn er meestal een aantal tussenstops bij een restaurant. Informeer indien mogelijk bij de reisorganisatie of ook daar rekening gehouden kan worden met het dieet. Neem wel een “noodrantsoen” mee voor het geval er onderweg grote vertraging optreedt of er bij aankomst toch geen rekening is gehouden met het dieet.
Vaak wordt er tijdens de vliegreis een maaltijd geserveerd. Informeer van tevoren zelf of via de reisorganisatie bij de luchtvaartmaatschappij of de maaltijd aangepast kan worden. Voor een aantal diëten is dat meestal wel mogelijk. Eventueel kan een eigen “eetvoorraad” worden meegenomen. Houd bederfelijke producten dan koel in een koeltas(je).
Informeer van tevoren welke mogelijkheden er in het vliegtuig zijn voor het koelen, bewaren of opwarmen. Maak daarbij een inschatting van de kans op een mogelijke “besmetting” met allergene stoffen die vermeden moeten worden. Eenmaal in het vliegtuig moet de stewardess worden geïnformeerd dat de levensmiddelen apart behandeld moeten worden vanwege de allergie of intolerantie.
Bij verblijf in een hotel of pension waar ook maaltijden worden gebruikt, is het nuttig van tevoren contact op te nemen met de reisorganisatie of het hotel/pension. Vraag na of het mogelijk is aangepaste maaltijden te krijgen. Geef daarbij een duidelijke toelichting. Het kan handig zijn om informatie over het dieet toe te sturen in de taal van het betreffende land of in het Engels. Omdat soms extra kosten in rekening worden gebracht voor het dieet, is het aan te raden daar voor de vakantie naar te informeren. Dit voorkomt tegenvallers tijdens de vakantie.
Dieet tijdens de vakantie in een tent, huisje of appartement
Bij het zelf klaarmaken van eten is bekend wat erin de maaltijd zit. Dat is het voordeel van vakanties in een tent, huisje of appartement, waar doorgaans zelf gekookt wordt.
Bij het eten buiten de deur is het verstandig van tevoren contact op te nemen met het betreffende restaurant om te vragen of zij bereid en in staat zijn rekening te houden met het dieet.
Onbewerkte producten brengen het minste risico met zich mee, omdat er niks aan is toegevoegd. Voorbeelden van onbewerkte producten zijn onbewerkte aardappelen, rijst, groente en fruit, mits er niets aan toegevoegd is.
Voor bewerkte en samengestelde producten is het etiket de enige bron van informatie voor het uitzoeken van geschikte producten.
Iemand met voedselovergevoeligheid moet goed navragen of de aangepaste maaltijd gegarandeerd vrij is van bepaalde voedingsmiddelen en/of voedselbestanddelen. Mensen die weinig of niets weten van voedselovergevoeligheid, weten vaak niet dat elk spoortje van een voedingsmiddel of voedselbestanddeel al klachten kan geven. In restaurants kan een vertaalde woordenlijst hulp bieden bij de uitleg van het dieet. Ook vertaalde zinnen en plaatjes kunnen het wat duidelijker maken voor de ober of kok.
Soms is het niet mogelijk geschikt brood te kopen op de vakantiebestemming. Dan kan het nodig zijn zelf brood mee te nemen of te bakken. Ook geschikte broodvervangers zoals crackers, knäckebröd, cornflakes, rijstwafels, beschuit en muesli kunnen een alternatief zijn. Bij sommige dieetbakkers is lang houdbaar brood te koop. Deze zijn in de verpakking enkele maanden buiten de koeling houdbaar. Meestal is het wel nodig om dit enige tijd van tevoren te bestellen.
Als er een diepvries is, kan ingevroren brood worden meegenomen, mits het onderweg ook goed ingevroren wordt bewaard.
Over de verkrijgbaarheid van geschikt (stok)brood in het buitenland is helaas weinig bekend. In veel broodsoorten en luxe broodjes worden broodverbetermiddelen gebruikt om het brood langer vers te houden. Deze hulpstoffen in brood kunnen een bron zijn van bijvoorbeeld koemelk, kippenei of soja waardoor het niet meer geschikt is voor iemand met een allergie daarvoor.
Voor mensen met voedselovergevoeligheid kan het prettig zijn om reiservaringen met anderen te delen. In de bladen van patiëntenorganisaties zoals de Stichting VoedselAllergie (SVA), het Nederlands Astma Fonds en de Nederlandse Coeliakie Vereniging (NCV) staan regelmatig vakantieadressen en adressen van restaurants die goed zijn bevallen bij mensen met voedselovergevoeligheid.
Het is aan te raden medicijnen te verdelen over de handbagage en de overige bagage. Als een deel van de bagage dan kwijtraakt, heb je in ieder geval een deel van de medicijnen nog. Het meenemen van extra medicijnen is verstandig als er juist in de vakantie meer klachten zijn dan gewoonlijk. Eventueel kan dan de dosis van de medicijnen worden verhoogd. Overleg deze mogelijkheid wel van te voren met de behandelend arts.
Voor een juiste werking is het belangrijk dat medicijnen op de juiste manier bewaard worden. Soms moeten medicijnen koel of juist bij kamertemperatuur worden bewaard. Informeer daarnaar bij de apotheek. Daar is ook een speciaal koeltasje voor medicijnen verkrijgbaar.
De Sdu geeft een Europees Medisch Paspoort uit. Hierin kan naast persoonsgegevens informatie worden gezet over de aard van de aandoening, de stoffen waarvoor een allergie bestaat, de symptomen en de naam en gegevens van de huisarts. Op de bijbehorende medicijnenkaart kan precies worden ingevuld welke medicijnen in welke dosering gebruikt worden.
Het Europees Medisch Paspoort is verkrijgbaar bij apotheek en ziekenhuis. Het is mogelijk het paspoort schriftelijk of telefonisch bestellen bij de Sdu. Het is ook mogelijk om zelf een informatiekaart te maken. Een vertaling in het Engels of de taal van het vakantieland is daarbij erg zinvol.
Bij een verhoogde kans op levensbedreigende allergische reacties of andere aandoeningen met een risico op bewustzijnsverlies, kan de Witte Kruis Alarmpenning of -horloge (voorheen 'Medic Alert®’) de hulpverlenende arts snel essentiële informatie geven. In zowel de penning als het horloge kunnen noodzakelijke gegevens genoteerd worden.
De huisarts of specialist kan zo nodig advies geven bij het invullen van het Europees Medisch Paspoort en de alarmhulpmiddelen. Wellicht kunnen zij nog praktische tips geven die persoonlijk van toepassing zijn.
Bronnen
Boeken
Coene EH (eindredactie). Zelfzorgboek voor mensen met voedselallergie en voedselintolerantie.
Boomgaardreeks 2, Stichting Augustus Amsterdam, ISBN 90 72248 25 2
Gerth van Wijk R, de Groot H.
Allergie. Over hooikoorts, eczeem en andere allergische aandoeningen.
Inmerc BV, Wormer , ISBN 90 6611 096 1, 2000
Donker A. Voedselallergie, wat doe je ermee?
Tirion Uitgevers BV, Baarn, ISBN 90 4390 126 1, 2000
De Nederlandse
Coeliakie Vereniging (NCV) heeft voor mensen met coeliakie vakantiefolders, dieetvertalingen en dieetpasjes in verschillende talen. Ook hebben zij adressen van buitenlandse coeliakieverenigingen.
SDU-uitgevers (Europees Medisch Paspoort),
www.sdu.nl
Stichting Witte Kruis (Witte Kruis alarmhulpmiddelen), www.wittekruis.nl
Dieetbrood
Lang houdbare 'Dieetbroden' zijn onder andere verkrijgbaar bij: