Voedingscentrum.nl maakt gebruik van cookies. Waarom? Lees onze uitleg
Menu van de Week Recept van de dag

4 personen
30+ minuten
Ga naar
Encyclopedie

De Voedingscentrum Encyclopedie is de kennisbank van het Voedingscentrum. Je vindt er inhoudelijke informatie over allerlei onderwerpen.

Je kunt op twee manieren zoeken naar onderwerpen in de encyclopedie: via het zoekveld en via het alfabet.

Nieuw
Het Keuzedieet
Verlies gewicht door slimme productkeuzes... Bestel nu € 16,75
Populair
FEEST! 46 traktaties voor school of thuis
Wat is een feestje zonder traktaties? Bestel nu € 7,95
Ga naar

Elke week in je mailbox

7 gezonde en lekkere recepten

De Menu van de Week nieuwsbrief staat vol met lekkere recepten. Meld je aan en je ontvangt elke donderdag een weekmenu in je mailbox.

Aanmelden

Gangbare veehouderij

De gangbare veehouderij is een houderijsysteem voor vee dat gehouden wordt voor vlees, melk en eieren. De dierhouderij in Nederland bestaat voor het grootste gedeelte uit gangbare veehouderij.  

Kenmerk van de gangbare, intensieve veehouderij is dat de dieren in stallen worden gehuisvest op bedrijven met weinig of geen grond. De manier hoe dieren gehouden worden is van invloed op hun welzijn.

Omschrijving

De veeteelt omvat alle bedrijven die dieren houden voor vlees, melk en eieren. Vlees van wild (bijvoorbeeld hert, wild zwijn, fazant, haas) kan afkomstig zijn van de jacht, maar ook van dieren die gehouden zijn.

De dierhouderij in Nederland bestaat voor het grootste gedeelte uit gangbare veehouderij. Andere houderijsystemen zijn onder andere de scharrelveehouderij, de biologische veehouderij en de biologisch-dynamische veehouderij.  

Bij deze systemen geldt in principe: hoe meer ruimte per dier in beslag wordt genomen, des te hoger liggen de productiekosten en dus ook de prijs voor de consument. Ook andere factoren spelen een rol: de dieren leven langer, eten meer en duurder voer en worden op kleinere schaal gehouden. Biologische producten zijn dus vaak duurder dan producten van een gangbare veehouderij. Met het oppervlak stijgen namelijk ook de kosten voor huisvesting van de dieren, het personeel, het voer en de hygiënemaatregelen.

Kenmerk van de gangbare veehouderij is dat de dieren in stallen worden gehuisvest op bedrijven met weinig of geen weidegrond. De dieren worden binnen, in grote stallen, grootgebracht. Bedrijven in de gangbare veehouderij zijn meestal gespecialiseerd in het houden van één diersoort en hebben veel dieren.

In de bedrijven is steeds meer sprake van mechanisatie en automatisering. Zo laten veel bedrijven het voederen en klimaatbeheersing al door computers sturen. Dit alles met als doel op een zo efficiënt mogelijke manier dieren voor vlees en eieren te produceren.

Varkens

De gangbare varkenshouderij houdt varkens volgens de eisen van de wet. De varkens hebben beperkte leefruimte: 0,7, 0,8 of 1,0 vierkante meter per varken, afhankelijk van het gewicht van het varken en de bouwdatum van de stal. De meeste varkens worden in hokken voor 10 tot 14 dieren gehouden, waar ze een ruimte van 7 tot 14 m2 met elkaar delen.

De stallen voor vleesvarkens hebben over het algemeen geen strooisel of stro op de vloer, waardoor de mogelijkheden om natuurlijk gedrag te vertonen zeer beperkt zijn. Ook kunnen de varkens niet naar buiten.

Het Varkensbesluit eist dat vanaf 2013:

  • zwangere zeugen in groepen gehuisvest worden.
  • vleesvarkens minimaal 1 m2 ruimte hebben.
  • de vloer voor ten minste 40% dicht is, de rest is dan rooster.

De varkens eten zowel speciaal geproduceerd veevoer als restproducten uit de agrarische en voedingsmiddelenindustrie. Het veevoer bestaat uit bijvoorbeeld granen, oliehoudende zaden en vruchten, knollen en wortels. Restproducten zijn bijvoorbeeld bierbostel (restproduct van granen uit de bierindustrie), biergist, aardappelstoomschillen, voorgebakken frites, bietenpulp en wei (afkomstig van de kaasproductie).

Melkveebedrijf/vleeskalverhouderij

De Nederlandse rundveehouderij is in de eerste plaats gericht op de productie van melk, maar is ook leverancier van vlees. Een melkkoe moet jaarlijks een kalfje ter wereld brengen voor haar melkproductie. Meestal blijft een kwart van de vrouwelijke kalveren op het melkveebedrijf. De rest en de mannelijke kalveren gaan op een leeftijd van tien tot veertien dagen naar een vleeskalverhouder.

De melkkoeien die op het melkveebedrijf blijven, zijn na vier of vijf jaar melk geven uitgemolken. Daarna gaan zij naar de slachterij. De kalveren worden voornamelijk voor blank vlees gehouden, en een deel (25 procent) voor rosé vlees. Blanke vleeskalveren gaan na twee tot drie weken bij de moeder weg en krijgen speciaal voer. Ze krijgen voornamelijk magere kalvermelk en beperkt ruwvoer, om het ijzergehalte te sturen, om te voorkomen dat het vlees rood kleurt. De kalveren gaan als ze zes tot acht maanden zijn naar de slachterij. Ze zijn dan maximaal 185 kilo. Rosévleeskalveren krijgen de eerste weken nog melk en krijgen daarna ruwvoer en krachtvoer. Ze worden acht tot twaalf maanden oud.

Of het nu een melkkoe of een kalf is, ieder rund is in Nederland verplicht om een identificatiemerk in beide oren te dragen. Iedereen (boer, keuringsdienst, slachterij) kan hiermee het dier herkennen en controleren. De gegevens van het dier worden centraal bijgehouden en geregistreerd in het zogeheten identificatie- en registratiesysteem.

De melkveehouderij

De belangrijkste schakel is de melkveehouderij. Nederland telt meer dan 22.000 bedrijven met melkkoeien. Eind 2005 waren er ruim driehonderd biologische melkveehouderijen – goed voor circa één procent van het aantal koeien. De meeste melkveehouderijen zitten in het noorden en oosten van het land. Er zijn zo'n 500 boeren die zelf zuivel maken, waarvan er circa 300 zelf kaas maken.

Tot de jaren tachtig was er een enorm overschot aan melk in de Europese Unie. Als er te veel aanbod was, kocht de overheid dat op. Daardoor werd veel melk verwerkt tot melkpoeder en boter en opgeslagen. Hierdoor ontstond bijvoorbeeld de bekende boterberg. In 1984 werd het melkquotum ingevoerd. Elke melkveehouder mag niet meer dan een bepaald quotum ‘volmelken’. Daarboven krijgt hij een boete, de zgn. superheffing. In totaal mag Nederland van de Europese Unie 11 miljard kilo melk per jaar produceren. Door de invoering van quota is het overschot weggewerkt. Inmiddels is er eerder sprake van een tekort dan van een overschot aan melk. Wereldwijd gezien stijgt de vraag.

Mede door de invoering van quota is het aantal bedrijven de afgelopen twintig jaar gehalveerd. Het aantal koeien is met eenderde gedaald. Een bedrijf heeft nu gemiddeld honderd stuks vee, waarvan 64 melkkoeien. De rest zijn kalveren, pinken en vaarsen (jonge koeien). Een gemiddeld bedrijf heeft circa 37 hectare grasland en 10 hectare snijmaïs. Vanaf begin jaren negentig is de gemiddelde productie per bedrijf toegenomen van ruim 300.000 kilo naar meer dan 500.000 kilo melk.

Gemiddeld geeft een koe 21 liter melk per dag. Daarbij is rekening gehouden met de laatste acht tot zes weken voor het kalven, waarin de koe niet wordt gemolken. Per jaar produceert een koe hier ruim 7.500 kilo melk. Dat is vijftig procent meer dan in de jaren tachtig. Dat komt onder meer door de gebruikte koeienrassen. Melkveehouders werken met verschillende koeienrassen. Sommige leveren veel melk, andere meer vlees. De afgelopen decennia is het ras Holstein-Friesian de veestapel gaan domineren. Deze koeien zijn speciaal gefokt voor de melkproductie.

De melkveehouder melkt de koeien tweemaal per dag, 's morgens vroeg en in de namiddag. Dat gebeurt met een melkmachine. Daarbij wordt zeer hygiënisch gewerkt. Vóór het melken maakt de melkveehouder eerst de uier van de koe schoon. De melk gaat via leidingen rechtstreeks van de uier naar grote koeltanks. Na het melken van alle koeien wordt de melkstal gereinigd en gedesinfecteerd. Dit geldt ook voor de ruimte waar de melktank staat en de melkleidingen. Tegenwoordig wordt er ook gemolken met melkrobots. Daarbij bepaalt de koe zelf wanneer ze wordt gemolken.

De melk wordt om de drie dagen opgehaald door een tankauto van de zuivelfabriek (de RMO: rijdende melkontvangst). Daarbij worden monsters genomen van de melk. Het COKZ (Centraal orgaan voor kwaliteitsaangelegenheden in de zuivel) doet allerlei metingen. Het controleert bijvoorbeeld op resten diergeneesmiddel (met name penicilline/antibiotica) en de hoeveelheid bacteriën (het zogenaamde kiemgetal). Op deze manier is het mogelijk een probleem in de melk te herleiden tot het niveau van de boerderij. Ook het vet- en eiwitgehalte worden gemeten. Hoe hoger het vet- en eiwitgehalte, hoe hoger de prijs die de boer krijgt.

Hoe worden melkkoeien gehouden?

Hier vindt je informatie over hoe koeien worden gehouden en welke verschillen er zijn. Ook is er aandacht voor de wettelijke regels die er zijn om melkkoeien te houden. Tot slot worden er knelpunten besproken waarmee de verschillende melkveehouderijen te maken (kunnen) hebben, met name als het gaat om milieu en dierenwelzijn.

Melkveehouderijen moeten voldoen aan strenge eisen op het gebied van diergezondheid, welzijn, voeding, hygiëne en milieu. Er zijn onder meer regels voor het veevoer, de verzorging en de huisvesting van dieren, de hygiëne in de melkstal en de melkopslag en behandelingen van de dierenarts of veearts. Zo krijgt elk dier kort na de geboorte een oormerk met een nummer, zodat het overal snel geïdentificeerd kan worden. Van toepassing is onder meer de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren. Ook zijn er regels voor de verwerking van mest en de hoeveelheid melk die geproduceerd mag worden.

Controle van de melk gebeurt vooral door de Rijdende Melk Ontvangst, die van elke tank geleverde melk een monster onderzoekt, de Algemene Inspectiedienst (AID) (nieuw venster) en de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). Verder doen de zuivelbedrijven metingen van o.a. kiemgetal, celgetal, reinheid en residuen.

Bovenwettelijke eisen

De regels voor biologische melkveehouderijen staan in de EU-verordening biologische landbouw. Deze regelgeving wordt door SKAL gecontroleerd. Producten uit de biologische veehouderij mogen het EKO keurmerk dragen of het woord ‘biologisch’.

Verder zijn er veel veehouders die ‘weidemelk’ leveren. Dat wil zeggen dat zij verklaren de koeien in de zomer buiten te laten lopen. Diverse organisaties werken samen om de koe in de wei te houden, waaronder de Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO), de Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO), het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL), de Dierenbescherming, Natuur en Milieu en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Samen ondernemen zij diverse initiatieven om weidegang van melkkoeien te ondersteunen.

In Nederland wordt het meeste melkvee in ligboxstallen gehouden. Een ligboxenstal is een stal waarin koeien vrij kunnen rondlopen en naar behoefte kunnen vreten. De koeien lopen op betonnen roosters boven de mestkelder. Iedere koe heeft een eigen ligplaats of ligbox. De ligboxen zijn van elkaar gescheiden door metalen buizen. In de ligbox ligt strooisel (zaagsel, zand of strovezel) op rubberen matten. Een enkele boer houdt nog koeien in een grupstal. In grupstallen staan koeien vastgebonden naast elkaar. Achter hen loopt een zogeheten ‘grup’, waarin de mest en urine van de koeien worden opgevangen en afgevoerd. De mest wordt meestal gebruikt op het eigen grasland.

Doorgaans lopen de koeien in de zomermaanden overdag buiten. Zo’n twintig procent van de koeien wordt het hele jaar door op stal gehouden. Dat gebeurt vooral bij grote bedrijven. De verwachting is dat in 2012 dertig tot veertig procent van de koeien binnen staat. Daarvoor zijn verschillende redenen. Zo heeft een boer niet altijd voldoende grond rondom of dichtbij het bedrijf. Als er te veel koeien lopen op een stukje land, worden de normen voor nitraat en fosfaat (uit mest) overschreden. Ook kost het tijd en geld om de koeien weer naar binnen te halen voor het melken of om een mobiele melkeenheid in te zetten. Bij komst van zogenaamde weidezuivel zorgt ervoor dat de koeien die deze zuivel leveren naar buiten kunnen, maar verse melk is maar een klein deel van de zuivel die wij eten. Als ook kaas gegarandeerd van koeien met weidegang komt, dan wordt het percentage aanzienlijk groter.

Koeien krijgen ruwvoer en krachtvoer te eten. Het grootste deel is ruwvoer. Dat is voer van de boerderij zelf: vooral gras, ingekuild gras (gras verzameld onder plastic) en hooi (gedroogd gras), en daarnaast snijmaïs of aardappelen. Gemiddeld eet een koe zestig kilo gras per dag.Ook krijgen koeien afval uit de industrie te eten, zoals bierbostel (een restproduct van granen uit de bierindustrie), biergist en aardappelstoomschillen. Zo’n zes tot tien kilo is zogenaamd krachtvoer uit de mengvoederindustrie, bekend als ‘biks’. Dit bestaat uit brokjes met o.a. granen, zoals sojaschroot, en mineralen.

Een melkkoe moet jaarlijks een kalfje ter wereld brengen om melk te kunnen geven. Meestal wordt de koe kunstmatig geïnsemineerd. De laatste acht tot zes weken voor het afkalven wordt de koe niet meer gemolken. Het uier kan zich dan herstellen. In de gangbare melkveehouderij worden hiervoor ‘droogzetters’ gebruikt. Dit zijn antibiotica om uierontsteking te voorkomen. In de biologische melkveehouderij is dit niet toegestaan.

Gemiddeld zijn melkkoeien na vier of vijf jaar melk geven ‘uitgemolken’. Daarna worden ze geslacht voor het vlees. Het overgrote deel daarvan wordt gebruikt om gehakt, rundervinken, verse worst en hamburgers te maken.

Koeien

In Nederland wordt het meeste gangbaar gehouden melkvee in ligboxstallen gehouden. Een ligboxenstal is een stal waarin koeien vrij kunnen rondlopen en naar behoefte kunnen vreten. Daarnaast heeft iedere koe een eigen ligplaats of ligbox. De verschillende ligboxen zijn van elkaar gescheiden door metalen buizen. De vloerbedekking van deze ligplaats varieert per stal: strooisel (zaagsel, zand of strovezel) op rubberen matten.

Een enkele boer houdt nog koeien in een grupstal. In grupstallen staan koeien vastgebonden naast elkaar. Achter hen loopt een zogeheten ‘grup’, waarin de mest en urine van de koeien worden opgevangen en afgevoerd.  

In de gangbare rundveehouderij komt het voor dat de dieren niet naar buiten kunnen.

Regels voor de rundveehouderij

Melkveehouderijen moeten voldoen aan strenge eisen op het gebied van diergezondheid, welzijn, voeding, hygiëne en milieu. Er zijn onder meer regels voor het veevoer, de verzorging en de huisvesting van dieren, de hygiëne, behandelingen van de dierenarts of veearts, mest en de hoeveelheid melk die geproduceerd mag worden. Zo mogen koeien bijvoorbeeld niet gevoerd worden met diermeel om elk risico op BSE uit te sluiten. Controle vindt vooral plaats door de Algemene Inspectiedienst (AID) en de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). Van toepassing zijn onder meer de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren. Wat er in veevoer mag zitten, is geregeld in de Kaderwet Diervoeders en in de Diervoederhygiëneverordening.

De regels over de ruimte die vleeskalveren minimaal moeten hebben, staan in het Kalverenbesluit. Dit besluit is een uitwerking van richtlijn nr. 91/629/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen. Hierin staat vermeld dat in de Europese Unie per 1 januari 2007 kalveren niet meer individueel mogen leven (als ‘kistkalveren’ in eenlingboxen). In Nederland is deze datum vervroegd naar 1 januari 2004.

Kippen

Meer dan 95% van de vleeskuikenbedrijven in Nederland behoort tot de gangbare vleeskuikenhouderij. In Nederland leven gemiddeld 18 tot 21 kippen op 1m2. 7% van de bedrijven houdt meer dan 23 kippen 1m2.

In de gangbare vleeskuikenhouderij zitten de vleeskuikens dicht op elkaar op de grond in grote stallen. Het aantal kuikens in de stal loopt op tot boven de 20.000. Ze kunnen niet naar buiten. Er is alleen kunstlicht, tot 23 uur per dag. Ze worden na circa 6 weken (39- 42 dagen) geslacht.

De kippen krijgen voer met bijvoorbeeld granen, zaden, soja, vismeel en melkbestanddelen. 

Regels voor de pluimveehouderij

De productie, verwerking en handel van kippenvlees is in de Europese Unie, en dus ook in Nederland, aan wetten en voorschriften gebonden. Daarbij gelden algemene regels, die in Nederland zijn vastgelegd in de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren. Verder komen er regels voor de huisvesting van vleeskuikens. Zo mogen bedrijven vanaf 2010 maximaal 39 kilo kip per vierkante meter houden. Dat komt neer op 19 kippen. De Algemene Inspectiedienst ziet hierop toe.Wat er in veevoer mag zitten, is geregeld in de Kaderwet Diervoeders en in de Diervoederhygiëneverordening.

Deze eisen gelden alleen voor vleeskuikenhouderijen in Europa. Kip van buiten de Europese Unie hoeft niet aan deze eisen te voldoen.

Op Europees niveau moet de Vleeskuikenrichtlijn vanaf 30 juni 2010 doorgevoerd zijn door de sector. Er valt wat dierenwelzijn betreft nog veel af te dingen op dit compromis. Op basis van ervaring en kennis zouden de normen strenger moeten zijn. Hierbij streeft het ministerie van LNV naar doelvoorschriften. Dit betekent dat de voorschriften uitgaan van een bepaald doel. Bijvoorbeeld een laag percentage dieren dat last krijgt van borstblaren of voetzoolaandoeningen of zelfs sterft. Vaak is een voorschrift meer gericht op ‘’de stal moet zo groot zijn’.

Andere eisen in Nederland

Naast de Europese regels hebben de overheid en de pluimveesector in Nederland afspraken gemaakt over het houden van vleeskuikenouderdieren en vleeskalkoenen. Deze afspraken zijn door het Productschap Pluimvee en Eieren vastgelegd in verordeningen. Ze gelden alleen voor kip uit Nederland. In andere Europese landen gelden vergelijkbare regels.

Bovenwettelijke eisen

Er zijn pluimveehouderijen die zich houden aan meer of strengere dierenwelzijnsregels dan nodig is op grond van de Europese wet of de Nederlandse verordening. Dat geldt bijvoorbeeld voor de biologische sector. De regels voor biologische vleeskuikenhouderijen staan in de EU-verordening biologische landbouw. Deze regelgeving wordt door SKAL gecontroleerd. Producten uit de biologische veehouderij mogen het EKO keurmerk dragen of het woord ‘biologisch’. Ook benamingen als ‘Volwaard-kip’ of ‘scharrelkip’ duiden op bovenwettelijke eisen op het gebied van dierenwelzijn.Het IKB-keurmerk duidt op bovenwettelijke eisen ten aanzien van kwaliteitscontrole.