Logo voor de printversie
Datum: 26 maart 2008

Consumptiecijfers

Uit gegevens van de Voedselconsumptiepeiling 1997-1998 (VCP) blijkt dat de Nederlander niet zozeer te veel vet maar vooral te veel verzadigd vet en transvet consumeert.  De gemiddelde inname van onverzadigd vet past binnen de aanbeveling.
Er zijn geen recente cijfers over de inname van alfa-linoleenzuur, linolzuur en de n-3-langeketenvetzuren (EPA en DHA). Wel is bekend dat van het meervoudig onverzadigde vet in het Nederlandse eetpatroon tachtig tot negentig procent uit linolzuur (n-6) bestaat. De rest is voornamelijk alfa-linoleenzuur.
Verder koopt volgens het Productschap Vis een gemiddeld huishouden één keer in de tweeënhalve week vis en jongeren onder de 35 jaar zelfs maar één keer per maand. Bovendien zijn er veel mensen die helemaal geen vis eten. Ook op dit gebied kan het eetpatroon dus worden verbeterd.


Ontwikkelingen

In de periode 1988-1998 daalde de consumptie van margarine, boter, olie en ander ‘zichtbaar vet’. Daardoor daalde de gemiddelde bijdrage van vet aan de energievoorziening van 38,5 naar 36,0 energieprocent. De consumptie van verzadigd vet daalde nauwelijks, hoewel veel mensen overstapten van margarine op halvarine en van volle melkproducten naar halfvolle of magere melkproducten. Wel daalde de bijdrage van transvet flink: van 4,3 naar 1,7 energieprocent. Dat komt vooral doordat de industrie het bereidingsproces van margarine heeft aangepast.
Nederlanders zijn de laatste jaren iets meer vis gaan eten.

Zie ook: