Voedingscentrum.nl maakt gebruik van cookies. Waarom? Lees onze uitleg. Je kunt de webanalyse cookies instellingen aanpassen.
Menu van de Week Recept van de dag
Een sensationele schotel
2 personen
30+ minuten
Ga naar
Encyclopedie

De Voedingscentrum Encyclopedie is de kennisbank van het Voedingscentrum. Je vindt er inhoudelijke informatie over allerlei onderwerpen.

Je kunt op 2 manieren zoeken naar onderwerpen in de encyclopedie: via het zoekveld en via het alfabet.

Nieuw
Kookboek Groente
Groenten zijn prachtige producten uit de... Bestel nu € 12,95
Populair
Alles over afvallen
Afvallen zonder dieet is de beste manier... Bestel nu € 9,95
Ga naar
 

E-nummers

E-nummers zijn stoffen die worden toegevoegd om eigenschappen van voedingsmiddelen te verbeteren. Voorbeelden zijn kleurstoffen, smaakversterkers en conserveermiddelen. E-nummers kunnen worden gewonnen uit de natuur of kunstmatig worden gemaakt in een fabriek. Als in een product E-nummers zijn gebruikt, dan staat de naam van de stof of het E-nummer op het etiket.

Een stof krijgt niet zomaar een E-nummer, hier gaat een heel traject aan vooraf. Het belangrijkste is dat de stof niet schadelijk mag zijn voor de gezondheid. En de stof krijgt pas een E-nummer als zeker is dat je er niet te veel van binnenkrijgt. Het E-nummer is dus een garantie dat de Europese autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) de stoffen gecontroleerd heeft en dat ze veilig gebruikt kunnen worden. In de wet staat in welke producten een toevoeging gebruikt mag worden en hoeveel er maximaal aan producten mag worden toegevoegd.

Er zijn verhalen in omloop die mensen waarschuwen voor E-nummers, omdat deze schadelijk voor de gezondheid zouden zijn. Deze verhalen zijn vaak gebaseerd op verkeerde conclusies en onzorgvuldige onderzoeken. Hoe dat kan en hoe onderzoek werkt in de voedingswetenschap, lees je hier.

Mensen met ‘fenylketonurie’(PKU) of een sulfietovergevoeligheid moeten bepaalde E-nummers mijden. Verder kan overmatig gebruik van polyolen een laxerend effect hebben.

Meer weten over een specifiek E-nummer of stof? Hieronder kun je het opzoeken. Je kunt zoeken op het E-nummer of op de naam van de stof. Er worden per E-nummer maximaal 8 producten aangegeven die een goede indruk geven waar de stof in kan zitten. Dit is geen volledige lijst, want sommige E-nummers worden aan heel veel producten toegevoegd. 

Welk E-nummer zoek je?

Waar kan het in zitten?

    Omschrijving

    E-nummers zijn toevoegingen, ook wel additieven genoemd. E-nummers hebben geen voedingswaarde. Ze worden toegevoegd aan producten om een eigenschap te verbeteren, bijvoorbeeld de kleur, smaak of houdbaarheid.

    Het maken van E-nummers

    Er zijn verschillende manieren om E-nummers te maken. Soms worden ze gewonnen uit planten, struiken en bomen. Zo worden bepaalde kleurstoffen gehaald uit planten. Een ander voorbeeld is de zoetstof steviolglycosiden (E 960), die met een complex en chemisch proces uit de bladeren van de steviaplant wordt gehaald.

    E-nummers die gemaakt worden met stoffen uit de natuur kunnen ook een dierlijke oorsprong hebben. Zo wordt de oranje kleurstof E 161g (canthaxanthine) gewonnen uit veren van vogels, kan de emulgator en stabilisator E 483 (stearyltartraat) gemaakt worden met vet van varkens en komt de rode kleurstof E 120 (cochenille extract, karmijnzuur, karmijn) van schildluizen. Sommige E-nummers kunnen daarom niet geschikt zijn voor veganisten, vegetariërs en sommige religies.

    Ook zijn er E-nummers die gewonnen worden uit gesteentes, zoals de witte kleurstof calciumcarbonaat, die kan komen uit kalksteen.

    Andere E-nummers komen van nature voor in planten en dieren, maar worden kunstmatig in de fabriek gemaakt. Vaak is het veel goedkoper om een stof in de fabriek te maken, dan om het uit de natuur te halen. Een voorbeeld is de smaakversterker glutamaat dat in de fabriek gemaakt wordt met een natuurlijk proces, namelijk fermentatie. Er worden bacteriën toegevoegd aan suikers waarna glutamaat (E 620) ontstaat.

    Er zijn ook E-nummers die in de natuur niet voorkomen, bijvoorbeeld de azo-kleurstoffen (E 102, E 110, E 122, E 123, E 124, E 129, E 151, E 155 en E 180). Die worden kunstmatig gemaakt in een fabriek door stoffen te bewerken. GMO Voor het maken van bepaalde E-nummers kunnen genetische gemodificeerde organismen (GMO’s) gebruikt worden. Een voorbeeld is vitamine B2 (riboflavinen, E 101) dat gemaakt kan worden met genetisch gemodificeerde bacteriën of gisten. De vitamine zelf is niet genetisch gemodificeerd. Alleen als genetisch gemodificeerde stoffen zelf in het voedingsmiddel zitten, staat dit op het etiket. Wordt een E-nummer gemaakt met behulp van GMO, dan staat dat niet op het etiket. Het organisme zelf zit namelijk niet in het voedingsmiddel, alleen de stof die het organisme gemaakt heeft. De biologische sector maakt geen gebruik van genetische modificatie.

    In de E-nummerzoeker is te vinden of bij de productie van een E-nummer mogelijk genetische gemodificeerde organismen gebruikt zijn.

    Waarom zitten E-nummers in voedingsmiddelen?

    Toevoegingen hebben altijd een functie in een product. Soms hebben ze meer dan één functie en vallen daarom onder meerdere groepen tegelijk. Aan het E-nummer kun je vaak al opmaken wat voor functie het heeft in een voedingsmiddel. Zo hebben de kleurstoffen bijvoorbeeld nummers tussen 100 en 200. Tussen de 200 en de 300 vind je de conserveermiddelen en de voedingszuren, en tussen de 300 en de 400 de antioxidanten en voedingszuren. Hieronder staan alle E-nummercategorieën en hun functie.

    Indeling    Functie
    Antiklontermiddelen    gaan het klonteren tegen van poedervormige levensmiddelen in de verpakking. Ze kunnen voorkomen in melkpoeder, zout en kruiden en specerijen.
    Antioxidanten    beschermen tegen aantasting door de zuurstof in de lucht, waardoor smaakbederf en kleurverandering wordt tegengegaan. Ze kunnen voorkomen in vlees, sauzen en koekjes.
    Antischuimmiddelen    voorkomen of verminderen dat een product gaat schuimen tijdens bereiding of gebruik. Ze kunnen voorkomen in onder andere soep en ananassap.  
    Complexvormers    worden gebruikt om metalen te binden. Ze kunnen bijvoorbeeld in frisdranken, kaas en sauzen voorkomen.
    Conserveermiddelen   gaan bederf door bacteriën en schimmels tegen. Ze verlengen de houdbaarheid. Ze komen in erg veel soorten producten voor.
    Draagstoffen    worden gebruikt als hulpstof voor andere stoffen, bijvoorbeeld om ze makkelijker te laten oplossen. Ze kunnen voorkomen in bijvoorbeeld kauwgom, zoetjes en voedingssupplementen.
    Drijfgassen    worden gebruikt om in verpakkingen druk te vormen, zodat als je op de knop drukt, het product eruit komt. Denk aan slagroom in een spuitfles.
    Emulgatoren    maken het mogelijk vet en water te vermengen tot één geheel (emulsie). Ze kunnen voorkomen in onder andere ijs, chocolade en sauzen.
    Geleermiddelen    zijn verdikkingsmiddelen voor het steviger maken van bijvoorbeeld zuivelproducten en dranken.
    Geur-en smaakstoffen   Ook wel aromastoffen. Geven een product een bepaalde geur of smaak. Ze zitten bijvoorbeeld in snoep, frisdranken en toetjes.
    Glansmiddelen    geven een glanzend of afdekkend laagje. Ze zitten bijvoorbeeld op de schil van vruchten, op chocolade of koffiebonen.
    Kleurstoffen    worden gebruikt voor het kleuren van levensmiddelen. Ze zitten bijvoorbeeld in snoep, groente en fruit in blik of glas en dranken.  
    Meelverbeteraars    worden aan meel of deeg toegevoegd om de bakeigenschappen te verbeteren of meel witter te maken. 
    Rijsmiddelen    laten gas vrijmaken waardoor het volume van deeg of beslag vergroot wordt, oftewel waardoor het gaat rijzen. Ze zitten in koek en gebak, pizzadeeg en bakpoeder.
    Schuimmiddelen   worden gebruikt voor de vorming van schuim in dranken.
    Smaakversterkers    zijn stoffen die aan voedingsmiddelen worden toegevoegd om een smaak intenser of beter te maken. Ze versterken bijvoorbeeld een zoete of hartige (umami) smaak. Sommige stoffen remmen juist een zoute, zoete of een zure of bittere smaak. Ze komen voor in kauwgom, snacks en frisdranken. 
    Stabilisatoren    stabiliseren de toestand waarin een product verkeert. Ze voorkomen bijvoorbeeld het uitdrogen bij vleeswaren, vooral bij ham. In consumptie-ijs gaan ze de vorming van ijskristallen tegen. Ze kunnen verder voorkomen in bijvoorbeeld zuivelproducten, chocolade en sauzen. 
    Verdikkingsmiddelen    maken het product steviger (een soort bindmiddel). Ze zitten in bijvoorbeeld pudding, jam en snoep.
    Verpakkingsgassen    worden in verpakkingen van uiteenlopende producten gebruikt om te zorgen dat ze goed blijven.
    Voedingszuren    zijn zuren die gebruikt worden voor het inleggen van levensmiddelen in zuur of voor het verhogen van de zure smaak. Ze zitten onder andere in vruchtensappen, groente of fruit in blik of glas en zuivelproducten.
    Vulstoffen    Worden gebruikt om producten volume te geven. Ze zitten bijvoorbeeld in voedingssupplementen, zoetjes en kauwgom.
    Zoetstoffen    worden toegevoegd om producten zoeter te maken. Ze bevatten minder of (vrijwel) geen calorieën. Ze kunnen voorkomen in bijvoorbeeld snoep, frisdranken en zuivelproducten.
    Zuurteregelaars    wijzigen of regelen de zuurtegraad van een product. Ze zorgen voor een zuurdere of minder zure smaak. Ze komen voor in mineraalwater, vruchtensappen en groente en fruit in blik en glas.  

    Gezondheidseffecten

    Alle E-nummers zijn goed onderzocht, goedgekeurd en kunnen daarom veilig in producten gebruikt worden. Toch zijn er mensen die producten met E-nummers liever mijden. Dat komt vooral doordat er verhalen in omloop zijn die mensen waarschuwen voor E-nummers zoals aspartaam en glutamaat, omdat deze schadelijk voor de gezondheid zouden zijn. Deze verhalen zijn vaak gebaseerd op verkeerde conclusies en onzorgvuldige onderzoeken. Hoe zo’n verkeerde conclusie kan ontstaan, en wat bedoeld wordt met ‘onzorgvuldig’ lees je hier. Of het gaat om effecten van de stof bij hele hoge doseringen, die gemeten zijn bij dierproeven. Deze hoge doseringen krijgen wij via voedingsmiddelen helemaal niet binnen. Ook als je heel veel van een product eet of drinkt, kom je niet aan de hoeveelheden waaraan die dieren zijn blootgesteld.

    Overgevoeligheid voor E-nummers

    Het komt wel eens voor dat mensen klachten krijgen na het eten van voedingsmiddelen met E-nummers. Regelmatig wijten mensen deze klachten aan een overgevoeligheid voor bepaalde E-nummers, bijvoorbeeld voor glutamaat of bepaalde kleurstoffen. In de praktijk komen gevoeligheden voor toevoegingen echter heel weinig voor.

    Vaak is het onduidelijk waar de klachten door komen. Maar dit soort overgevoeligheidsreacties kunnen wel ernstige overlast geven. Als dergelijke reacties optreden, raden we aan om contact op te nemen met de huisarts of een allergoloog zodat goed onderzocht kan worden wat de oorzaak is.

    Veiligheid

    Een stof mag niet zomaar als toevoeging gebruikt worden. In de Europese Unie (EU) moeten nieuwe toevoegingen eerst worden goedgekeurd door de Europese voedselveiligheidsautoriteit (EFSA). Vervolgens krijgen ze van de Europese Commissie een E-nummer. Het is een garantie die aangeeft dat de EU de stoffen goed gecontroleerd heeft en dat het gebruik veilig is. Ook biedt een E-nummer de zekerheid dat je er niet te veel van binnenkrijgt. In de wet staat namelijk in welke producten een toevoeging gebruikt mag worden en hoeveel er maximaal mag worden toegevoegd.

    Hoeveel van een E-nummer is veilig?

    Voor nieuwe toevoegingen die mogelijk in aanmerking komen voor een E-nummer, moet eerst de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) worden vastgesteld. Dit is de gemiddelde hoeveelheid van een stof die je elke dag gedurende je hele leven via de voeding binnen kan krijgen, zonder nadelige gevolgen voor je gezondheid. De ADI wordt meestal vastgesteld op basis van dierproeven.

    Als de ADI is vastgesteld, dan weet je dat er een 'veilige hoeveelheid' is van de stof die je binnen kan krijgen. De EFSA kijkt vervolgens in welke producten de stof zit, zodat bij mensen met een normaal eetpatroon geen overschrijdingen van deze hoeveelheid plaatsvinden. Zo zorgt de EFSA ervoor dat je niet meer binnen kan krijgen dan de ADI.

    Ook onderzoekt de EFSA of het echt noodzakelijk is dat een toevoeging gebruikt wordt.

    Pas als dit allemaal is vastgesteld, krijgt de stof een E-nummer. 

    Ontwikkelingen worden bijgehouden

    Als een stof een E-nummer heeft gekregen, houdt de EFSA vervolgens bij of er nieuwe onderzoeken uitkomen die een ander licht werpen op de veiligheid van de stof. De EFSA neemt die onderzoeken serieus en vergelijkt ze met al bestaande onderzoeken. Als de nieuwe onderzoeken andere inzichten geven over de veiligheid van de stof of twijfels oproepen, dan kan de EFSA besluiten de ADI aan te passen, een stof in meer producten of juist minder producten toe te staan, of de stof helemaal niet meer toe te staan. 

    Voedingsadvies

    Producten met E-nummers kun je veilig eten. Sommige mensen willen E-nummers toch liever vermijden. Vanuit gezondheidsoogpunt is het niet nodig E-nummers  te vermijden, maar er is ook niets op tegen. E-nummers zitten vaak in bewerkte producten die te veel zout, suiker of verzadigd vet bevatten, zoals snacks en sauzen. Deze producten vallen niet in de Schijf van Vijf. Om die reden kun je deze producten beter niet te vaak en te veel eten.  

    Alleen mensen met ‘fenylketonurie’ (PKU) of met een overgevoeligheid voor sulfiet moeten sommige E-nummers mijden.

    PKU

    Mensen met de erfelijke aandoening PKU kunnen het aminozuur fenylalanine uit aspartaam niet goed afbreken. Dit heeft negatieve effecten in de hersenen als gevolg. Elke baby in Nederland wordt op deze ziekte getest met een hielprikje. Op producten met aspartaam (E 951 en E 962) staat voor mensen met deze aandoening de waarschuwing “bevat aspartaam (een bron van fenylalanine)” of “bevat een bron van fenylalanine”.

    Sulfiet

    Sommige mensen kunnen een overgevoeligheidsreactie krijgen als ze sulfiet binnen krijgen, een stof dat als conserveermiddel of antioxidant kan voorkomen in bijvoorbeeld wijn. Dit komt het meest voor onder astmapatiënten. Naar schatting loopt minder dan 4% van de astmapatiënten het risico op een overgevoeligheidsreactie op sulfiet. De reacties kunnen mild tot heftig zijn en het gaat dan om hartkloppingen, huiduitslag en vochtophoping. Mensen met een overgevoeligheid voor sulfieten kunnen deze stoffen het beste mijden. Als een product meer dan 10 mg per kilo of 10 mg per liter zwaveldioxide (E 220) of sulfiet (inclusief de toegevoegde sulfieten E 221- E 228), bevat, moet sulfiet als ingrediënt benadrukt worden op het etiket.  

    Etiket

    Als in een product toevoegingen gebruikt zijn, dan staan deze bij de ingrediënten. Eerst staat de naam van de categorie aangegeven, bijvoorbeeld ‘kleurstof’ of ‘smaakversterker’ gevolgd door de naam van de stof of het E-nummer. Als de stof meerdere functies heeft, dan wordt de categorie aangegeven die past bij de belangrijkste functie van het E-nummer in het voedingsmiddel.

    ‘Clean label’

    Steeds meer voedingsmiddelenfabrikanten willen hun producten een zogenaamd ‘clean label’ geven. Fabrikanten vermijden dan kunstmatig gemaakte stoffen of vermelden in plaats van het E-nummer, de volledige naam van de toegevoegde stof op het etiket. Dat mag volgens de wet. Dus in plaats van E 330 zet een fabrikant dan ‘citroenzuur’ op het etiket. 

    Of fabrikanten voegen alternatieven voor bepaalde E-nummers toe, bijvoorbeeld gistextract als vervanging van E 621 (glutamaat). In gistextract zit namelijk van nature een relatief hoge concentratie glutamaat, dus daarmee krijg je dezelfde hartige, ‘umami’-smaak. Als er gistextract in een product zit in plaats van glutamaat, dan noemt de fabrikant gistextract in de ingrediëntendeclaratie. 

    Waarschuwingen op het etiket

    Op producten met aspartaam (E 951 en E 962) staat voor mensen met de aandoening fenylketonurie (PKU) de waarschuwing “bevat aspartaam (een bron van fenylalanine)” of “bevat een bron van fenylalanine”. 

    Voor mensen met een overgevoeligheid voor sulfieten, staat op producten met meer dan 10 mg per kilo of 10 mg per liter zwaveldioxide (E 220) of sulfiet (inclusief de toegevoegde sulfieten E 221- E 228), sulfiet als ingrediënt benadrukt worden op het etiket. 

    Op levensmiddelen die meer dan 10% toegevoegde polyolen bevatten staat op het etiket de waarschuwing: “overmatig gebruik kan een laxerend effect hebben”.

    Meer informatie

    Tip

    E-nummertabel

    In deze praktische gids gaan we dieper in op E-nummers. Hoe worden ze gemaakt, zijn ze schadelijk voor je gezondheid? Deze gids helpt je om meer inzicht te krijgen in het etiket en wat je daarop allemaal kunt vinden. Een handig hulpmiddel als je meer wilt weten over je eten.

    Bekijk